ECLI:NL:RBDHA:2016:7104
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige Turkse ondernemer wegens onvoldoende levensvatbaarheid onderneming
Eiser, een Turkse zelfstandige ondernemer, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om als zelfstandige te werken bij een vennootschap onder firma in Amsterdam. Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat met de onderneming een wezenlijk Nederlands belang werd gediend. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gaf een negatief advies over de levensvatbaarheid van de onderneming.
Eiser voerde in beroep aan dat zijn inkomen in 2015 ruim boven het minimumloon lag en dat de stukken over 2015 bij de beoordeling betrokken moesten worden. De rechtbank oordeelde dat het besluit ex tunc moet worden getoetst en dat nieuwe feiten na het bestreden besluit niet mogen worden meegewogen. Ook stelde eiser dat Turkse zelfstandigen soepeler beoordeeld moeten worden dan zelfstandigen onder het puntenstelsel, wat de rechtbank verwierp op basis van jurisprudentie.
Verder stelde eiser dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat de RVO strengere maatstaven hanteerde. De rechtbank vond hiervoor geen bewijs en wees het beroep af. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was om aan het RVO-advies te twijfelen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.