Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Procesverloop
Overwegingen
- de vreemdeling de toegang is geweigerd, of als sprake is van een opgeschorte of uitgestelde toegangsweigering zoals beschreven in A1/7.3 Vc;
- de vreemdeling in bewaring is gesteld;
- de vreemdeling zich niet direct heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;
- tegen de vreemdeling eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd;
- er sprake is van openbare orde aspecten, bijvoorbeeld (een verdenking van) het plegen van een misdrijf; of
- de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als kennelijk ongegrond is afgewezen;
Uit artikel 7, vierde lid, Terugkeerrichtlijn alsook uit artikel 62, tweede lid, Vw volgt dat verweerder na het afwijzen van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, bij het bepalen van de terugkeertermijn de keuze had tussen een termijn van minder dan zeven dagen of een (onmiddellijke) vertrektermijn van 0 dagen. Uit de hiervoor weergegeven arresten van het Hof volgt dat in besluiten die krachtens de Terugkeerrichtlijn worden genomen per geval moet worden vastgesteld, met eerbiediging van de grondrechten van de vreemdeling en het evenredigheidsbeginsel, of een verkorte vertrektermijn kan worden vastgesteld of dat deze kan worden onthouden. Het resultaat van deze individuele afweging dient voorts gemotiveerd te worden in het besluit. In het arrest El Dridi heeft het Hof overwogen dat “de volgorde van de stappen van de terugkeerprocedure, zoals neergelegd in richtlijn 2008/115, overeenstemt met een trapsgewijze verzwaring van de ter tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit te nemen maatregelen, beginnend met de maatregel die de meeste vrijheid aan de betrokkene laat, namelijk de toekenning van een termijn voor zijn vrijwillige vertrek, en eindigend met de maatregelen die hem het meest beperken, namelijk de bewaring in een gespecialiseerd centrum, waarbij tijdens al die stappen het beginsel van evenredigheid moet worden geëerbiedigd.”
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.