Eiser was sinds 2001 werkzaam bij verweerder en kreeg te maken met ernstige samenwerkingsproblemen die leidden tot disciplinaire maatregelen en uiteindelijk ontslag wegens verstoorde arbeidsverhoudingen. Verweerder legde eiser ambtshalve buitengewoon verlof op, schorste hem en ontzegde de toegang tot de bedrijfsgebouwen. Het ontslag werd verleend per 1 december 2015.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gedaan om een andere passende functie voor hem te vinden en dat de problemen niet volledig aan hem te wijten waren. De rechtbank oordeelde dat de verhoudingen ernstig verstoord waren, maar dat verweerder onvoldoende inspanningen had verricht om herplaatsing te realiseren. De verwijzing naar beschikbare vacatures was onvoldoende onderbouwd en er was geen overleg met eiser geweest.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ontslag gegrond, vernietigde het besluit tot ontslag en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten. De schorsing, ontzegging en buitengewoon verlof werden gehandhaafd. Eiser was inmiddels elders in dienst met een vergelijkbare functie en wilde niet terugkeren. De rechtbank liet het overige besluit in stand en wees een vergoeding toe voor de gemaakte proceskosten.