ECLI:NL:RBDHA:2016:1662
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging en wijziging verblijfsvergunning wegens onvoldoende aannemelijkheid mensenhandel
Eiseres 1, een Nigeriaanse vrouw, kreeg een verblijfsvergunning op grond van de B9-regeling na aangifte van mensenhandel. Na seponering van de strafzaak en het verlopen van haar vergunning, verzocht zij om verlenging en wijziging naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, welke werden afgewezen. De rechtbank oordeelt dat eiseres 1 haar mensenhandelrelaas onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, mede omdat zij niet voldeed aan het paspoortvereiste en geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk maakte die verblijf in Nederland rechtvaardigen.
Eiseres 2, haar dochter, had een verblijfsvergunning voor gezinshereniging die afhankelijk is van het verblijf van eiseres 1. Nu het beroep van eiseres 1 ongegrond is verklaard, geldt dit ook voor eiseres 2. De rechtbank wijst ook het beroep van eiseres 2 af.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar en dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling. Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen van eiseres 1 en 2 tegen intrekking en weigering verlenging van hun verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard.