Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2016 in de zaak tussen
[eiser 2], eiseressen,
Rechtbank Den Haag
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarin het bezwaar tegen brieven van 17 december 2014 werd afgewezen als niet-ontvankelijk. Deze brieven waren reacties op burgemeestersbrieven over een beroep op discretionaire bevoegdheid.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeestersbrieven geen aanvragen zijn in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat de burgemeesters geen belanghebbenden zijn. Hierdoor is de reactie van de staatssecretaris geen besluit en evenmin een schriftelijke weigering een besluit te nemen. Dit betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
Verder oordeelt de rechtbank dat de brieven ook niet kunnen worden aangemerkt als handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 waartegen bezwaar openstaat. Eiseressen kunnen een aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen en daarin het gelijkheidsbeginsel aanvoeren. Het indienen van een aanvraag is niet onevenredig bezwarend, ook al kan de staatssecretaris niet ambtshalve een vergunning verlenen met een eerdere ingangsdatum.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseressen tegen het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaar wordt ongegrond verklaard.