ECLI:NL:RBDHA:2016:1515
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep bij doorprocederen op asielgrond a na verlening verblijfsvergunning op grond b
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarbij hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat hij belang heeft bij het beroep omdat de afwijzing van de asielgrond a nu wel gemotiveerd is.
De rechtbank overweegt dat het Nederlandse stelsel van asielverlening is ingericht om doorprocederen op verschillende gronden te voorkomen. De verleende verblijfsvergunning op grond b biedt dezelfde rechten en voordelen als de vluchtelingenstatus op grond a. Hierdoor ontbreekt het eiser aan procesbelang om het beroep voort te zetten. Dit wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ook de beperkte motivering van de afwijzing van de asielgrond a in het bestreden besluit verandert niets aan de materiële rechtspositie van eiser. Artikel 46, tweede lid, van de Europese Procedurerichtlijn ondersteunt deze lijn door het toestaan van niet-ontvankelijkheid van een beroep zonder voldoende belang.
De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang en wijst het beroep af zonder toekenning van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang bij doorprocederen op asielgrond a na verlening verblijfsvergunning op grond b.