Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2016 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [1984] , van Turkse nationaliteit, eiser,
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Bij besluit van 16 juli 2012 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.
Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 mei 2013 heeft verweerder de motivering van het besluit van 24 augustus 2012 aangevuld. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
Subsidiair heeft verweerder gesteld dat eisers beroep op deze standstillbepalingen en artikel 13 van Pro de Vreemdelingenwet 1965 hem niet kan baten. Uit artikel 13 van Pro de Vreemdelingenwet 1965, de daarbij behoren de Memorie van Toelichting en hoofdstuk XXIX van de toenmalige Vreemdelingencirculaire, blijkt dat ook vóór de inwerkingtreding van deze standstillbepalingen was vereist dat over een periode onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag over een geldige verblijfsvergunning werd beschikt. Dit is in de huidige regelgeving niet veranderd. Ter motivering van voormeld subsidiaire standpunt heeft verweerder in het verweerschrift verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 3 juni 1985 (RV 1985, 26).
De omstandigheden van eiser verschillen van de omstandigheden van de vreemdeling waarop de uitspraak van de ABRvS van 22 februari 1979 (RV 1979, 62) ziet, omdat de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van een vergunning tot vestiging wel in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid dat de ABRvS heeft beoogd dat na de intrekking van een verblijfsvergunning, op basis van feitelijk verblijf een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verleend.
Voorts heeft eiser gesteld dat hij op grond van zijn Turkse nationaliteit en de standstillbepalingen een beroep kan doen op de meest gunstige verblijfsrechtelijke regeling uit het verleden. In dat kader heeft eiser verwezen naar artikel 13 van Pro de Vreemdelingenwet 1965 en het oordeel van de ABRvS in de uitspraak van 22 februari 1979 dat aan het begrip 'hoofdverblijf' als vermeld in artikel 13 van Pro de Vreemdelingenwet 1965 een strikt feitelijke betekenis dient te worden toegekend. Verder heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 28 maart 2012, met zaaknummer AWB 11/21197, waarbij een beslissing op bezwaar is vernietigd en naar een met inachtneming daarvan genomen beslissing op bezwaar van 11 juni 2012 waarbij verweerder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft afgegeven.
Eiser heeft aangevoerd dat hij op grond van oude wet- en regelgeving in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, omdat hij ten tijde van het indienen van de onderhavige aanvraag, op 29 april 2015, gedurende ruim tien jaar onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad en hij gedurende die periode legaal in Nederland heeft verbleven. Immers, hij was bijna 10 jaar in het bezit van een verblijfsvergunning en daarop volgend heeft hij rechtmatig verblijf gehad op grond van de Wet en/of een rechterlijke uitspraak. Ook ten tijde van de onderhavige aanvraag verbleef eiser op grond van een rechterlijke uitspraak legaal in Nederland.
Gelet op de van toepassing zijnde oude wet- en regelgeving gaat verweerder er ten onrechte van uit dat het beschikken over een geldige verblijfsvergunning een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Het is aan vreemdelingen die houder zijn van een vergunning tot verblijf, toegestaan in Nederland te verblijven tot het tijdstip waarop die vergunning haar geldigheid verliest.
1. Onze Minister is bevoegd tot het verlenen en intrekken van vergunningen tot vestiging.
Uit de geschiedenis en de totstandkoming van de Vreemdelingenwet blijkt dat aan het begrip ‘hoofdverblijf’ een strikt feitelijke betekenis dient te worden toegekend (Memorie van Antwoord, pagina 8). Derhalve kon aan appelante, die ten tijde van de bestreden afwijzing reeds langer dan vijf jaar haar hoofdverblijf in Nederland had, slechts een vergunning tot vestiging worden geweigerd op de in artikel 13, derde lid, van de Vreemdelingenwet 1965 genoemde gronden.
De rechtbank is noch uit de Vreemdelingenwet 1965 noch uit de daaraan ten grondslag liggende parlementaire stukken gebleken, dat ook (toegestaan) verblijf waarvoor geen verblijfsvergunning was verleend van belang was voor aanspraken op een vergunning tot vestiging.
Gelet op het voormelde en op de thans geldende wet- en regelgeving is, naar het oordeel van de rechtbank, van de door eiser gestelde aanscherping van wet- en regelgeving geen sprake.
Gelet op het voormelde verwerpt de rechtbank eisers impliciet ingenomen stelling dat de onder 10. vermelde uitspraak van de ABRvS van 3 juni 1985, afgezet tegen de onder 9. vermelde uitspraak van de ABRvS van 22 februari 1979, een nieuwe beperking in de zin van de standstillbepalingen vormt, nog daargelaten de vraag of een uitspraak van een rechterlijke instantie als een nieuwe beperking in de zin van de standstillbepalingen kan worden aangemerkt.