In deze zaak tussen Brite Strike Technologies Inc en Brite Strike Technologies SA heeft de rechtbank Den Haag zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Brite Strike Inc. Dit volgt uit de toepassing van artikel 4.6 van het Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom (BVIE), dat voorrang krijgt boven de EEX-Verordening, zoals bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juli 2016.
Brite Strike Inc stelde dat haar vorderingen niet kenbaar samenhangen met een inbreukactie, waardoor artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing zou zijn. De rechtbank verwierp dit standpunt omdat in de dagvaarding was gesteld dat reeds een sommatie was verzonden en een procedure voor een verbodsvordering was aangekondigd, wat duidt op samenhang met een inbreukactie.
De rechtbank veroordeelde Brite Strike Inc daarom tot betaling van de proceskosten aan de zijde van gedaagde, inclusief een bedrag van €5.190 aan kosten voor rechtsbijstand en €619 aan griffierecht. Het vonnis werd gewezen door rechter F.M. Bus en op 23 november 2016 openbaar uitgesproken.