ECLI:NL:RBDHA:2016:13555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslistermijn in Dublinzaken bij asielaanvragen en verlenging beslistermijn
Eisers dienden op 11 februari 2016 asielaanvragen in en stelden de staatssecretaris op 30 augustus 2016 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing. De staatssecretaris stelde dat de beslistermijn nog niet was verstreken, mede doordat deze met maximaal negen maanden was verlengd op grond van een besluit van 9 februari 2016.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in combinatie met de Dublinverordening, en of de beslistermijn pas aanvangt zodra Nederland als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn van zes maanden ook geldt zolang wordt onderzocht welke lidstaat verantwoordelijk is, om onredelijke vertraging te voorkomen.
De rechtbank stelde dat binnen de beslistermijn moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is en dat bij vaststelling van een andere lidstaat dan Nederland, de aanvraag binnen die termijn kan worden afgewezen of de beslistermijn verlengd. Omdat de beslistermijn door de verlenging nog niet was verstreken op het moment van ingebrekestelling, waren de beroepen niet-ontvankelijk.
De rechtbank wees de beroepen af en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd gedaan door rechter P.G. Wijtsma op 4 november 2016 te Groningen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.