ECLI:NL:RBDHA:2016:13070
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod wegens ontbreken machtiging voorlopig verblijf
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit bezittende vreemdeling met langdurig legaal verblijf in Nederland, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van humanitaire redenen. Verweerder wees dit af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en legde een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het inreisverbod en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk is omdat het inreisverbod onderdeel uitmaakt van een meeromvattende beschikking en niet in een zelfstandige beschikking is opgelegd.
De rechtbank beoordeelde vervolgens het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning. Hierbij werd geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de vrijstellingsgronden van het mvv-vereiste, mede omdat hij zijn aanvraag niet persoonlijk had ingediend en de leges niet had betaald. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro leidde tot de conclusie dat het belang van de staat zwaarder woog dan het belang van eiser, mede vanwege het ontbreken van voldoende contact met zijn kinderen en het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank wees het verzoek om voorlopige voorziening af en vergoedde het betaalde griffierecht aan eiser. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en het beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard.