De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen de intrekking van een omgevingsvergunning verleend aan eiseres 1 voor de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw. Verweerder trok de vergunning in omdat gedurende meer dan 26 weken geen bouwwerkzaamheden waren verricht met gebruikmaking van de vergunning. Eiseres 2, mede-eigenaresse van het perceel, werd aanvankelijk niet als belanghebbende erkend, maar de rechtbank oordeelde dat zij wel belanghebbende is vanwege haar eigendomsbelang.
De rechtbank stelde vast dat werkzaamheden aan het bodemonderzoek niet als gebruik van de vergunning konden worden aangemerkt. Eiseressen konden niet aannemelijk maken dat zij op korte termijn met bouwen zouden starten. Verweerder mocht daarom de vergunning intrekken op grond van artikel 2.33 Wabo. De belangenafweging woog zwaarder in het voordeel van verweerder, mede vanwege planologische overwegingen en het voorkomen van slapende vergunningen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover eiseres 2 niet-ontvankelijk was verklaard, verklaarde haar bezwaar ongegrond en wees het beroep voor het overige af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is openbaar en vatbaar voor hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.