Eisers, exploitanten van een escortbureau, stelden de Staat aansprakelijk voor onrechtmatig strafrechtelijk optreden in een mensenhandelonderzoek. Het onderzoek startte na een anonieme melding over mogelijke uitbuiting van escortdames, leidend tot strafvorderlijke dwangmiddelen en aanhouding van eisers in januari 2011.
Eisers vorderden een verklaring voor recht dat het optreden onrechtmatig was, schadevergoeding en een voorschot, stellende dat vanaf het begin een redelijk vermoeden van schuld ontbrak en dat uit het strafdossier hun onschuld bleek. De Staat verweerde zich met verwijzing naar het strafdossier, getuigenverklaringen en rechterlijke machtigingen.
De rechtbank beoordeelde dat er wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld bestond op grond van verklaringen waaruit bleek dat eisers op de hoogte waren van signalen van uitbuiting en mensenhandel. Het beroep op het criterium van gebleken onschuld faalde omdat het strafdossier onvoldoende duidelijkheid gaf over hun onschuld. Ook het disproportionele karakter van het politieoptreden werd niet bewezen.
De rechtbank concludeerde dat het strafrechtelijk optreden gerechtvaardigd was en wees de vorderingen af. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door rechter I.A.M. Kroft op 12 oktober 2016.