ECLI:NL:RBDHA:2015:9542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning asiel en oplegging inreisverbod wegens strafbare feiten
Eiser, een Bosnisch staatsburger met een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd sinds 1995, kreeg deze vergunning ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege meerdere veroordelingen voor strafbare feiten, waaronder geweldsmisdrijven. Verweerder baseerde dit op artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de glijdende schaal die van toepassing was op het moment van het laatste delict in 2010.
Eiser voerde aan dat hij niet aan de criteria van de glijdende schaal voldeed en dat artikel 8 EVRM Pro onvoldoende was betrokken bij de belangenafweging. De rechtbank oordeelde dat de intrekking en het inreisverbod rechtmatig waren, mede omdat eiser meer dan vijf veroordelingen had met een totale onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ruim 34 maanden, wat ruimschoots boven de norm van 14 maanden voor zijn verblijfsduur viel.
De rechtbank vond dat verweerder de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro correct had uitgevoerd, waarbij de ernst van de strafbare feiten en het ontbreken van een hechte gezinsrelatie zwaar wogen. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden, zoals de zorg voor zijn partner en kinderen, waren onvoldoende zwaarwegend om af te zien van het inreisverbod.
Het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk, omdat het inreisverbod het verkrijgen van een verblijfsvergunning feitelijk onmogelijk maakt.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk verklaard.