ECLI:NL:RBDHA:2015:8854
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep op verblijfsvergunning asiel wegens gebrek aan belang
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder waarbij hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet als vluchteling is erkend en dat hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, had moeten worden verleend, wat voor hem van belang is vanwege de aanspraken op gezinshereniging volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De rechtbank overweegt dat de verlening van een verblijfsvergunning op de subsidiaire beschermingsgrond dezelfde rechten biedt als een vluchtelingenstatus, en dat het beroep van eiser op de Gezinsherenigingsrichtlijn niet direct kan worden gehonoreerd omdat deze richtlijn niet volledig is omgezet in nationale wetgeving. Tevens geldt volgens vaste jurisprudentie dat een vreemdeling pas belang heeft bij beroep tegen de niet-toekenning van de vluchtelingenstatus indien de verleende verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd.
Omdat in dit geval geen intrekking of niet-verlenging aan de orde is, heeft eiser geen procesbelang bij het beroep. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.