ECLI:NL:RBDHA:2015:7087

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2015
Publicatiedatum
22 juni 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1685
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EP EVRMArt. 11 Wet Algemene Bepalingen Successiewet 1956Art. 1a Successiewet 1956
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op partnervrijstelling erfbelasting wegens niet-toepasselijke regeling en hardheidsclausule

Eiser, enige erfgenaam van zijn moeder die in 2013 overleed, vordert toepassing van de partnervrijstelling erfbelasting omdat hij haar als mantelzorger verzorgde en vlak na het jaar van overlijden de vrijstelling wel van toepassing zou zijn geweest.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor de partnervrijstelling niet zijn vervuld, aangezien de regeling vereist dat het mantelzorgcompliment in het jaar vóór overlijden is toegekend en het beleidsbesluit van de staatssecretaris alleen ziet op eerdere jaren. Tevens is het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verworpen omdat de belastingheffing geen buitensporige last vormt.

De rechtbank benadrukt dat de rechter niet bevoegd is de billijkheid van de wet te toetsen en dat de hardheidsclausule exclusief aan de minister is voorbehouden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep op de partnervrijstelling erfbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 15/1685
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 januari 2015 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslag erfbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2015.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Taanom en mr. M.O. Tjon.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Volgens de gemeentelijke basisadministratie stonden eiser en zijn moeder, [persoon] (erflaatster), sinds het overlijden van de vader van eiser in 1997, gezamenlijk ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Bij brieven van 15 november 2013 heeft de SVB aan eiser en erflaatster bericht dat aan eiser voor het jaar 2013 een mantelzorgcompliment werd verleend.
2. Erflaatster is op 16 december 2013 overleden en eiser is haar enige erfgenaam. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedraagt € 344.364. Na toepassing van de vrijstelling voor een kind van € 19.535 is de ter zake van de verkrijging verschuldigde erfbelasting bepaald op € 53.140.
3. In de als bezwaarschrift aangemerkte aanvulling op de aangifte heeft eiser, als mantelzorger van zijn moeder, een beroep gedaan op de partnervrijstelling. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder toepassing van de partnervrijstelling geweigerd en de aanslag gehandhaafd.
4. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de partnervrijstelling.
5. Eiser beantwoordt die vraag bevestigend en stelt dat de desbetreffende regeling, vanwege het vereiste dat in het jaar vóór het overlijden een mantelzorgcompliment moet zijn toegekend, in zijn geval onredelijk uitpakt. Zou zijn moeder na 1 januari 2014, dus enkele weken later, zijn overleden, dan zou de vrijstelling wel van toepassing zijn geweest. Omdat erflaatster al lange tijd door eiser werd verzorgd, dient een uitzondering op de regel te worden gemaakt. Verder betoogt eiser dat artikel 11 van Pro de Wet Algemene Bepalingen zich richt tot de rechter en dat niet valt in te zien waarom, indien een rechter niet de bevoegdheid heeft om een beschikking van de overheid op haar redelijkheid en billijkheid te toetsen, dit ook zou gelden voor de overheid zelf en dat het standpunt van verweerder in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser op grond van de daartoe strekkende wettelijke bepalingen geen recht heeft op de partnervrijstelling en dat het door de staatssecretaris van Financiën genomen beleidsbesluit van 28 mei 2013 (met daarin een onder voorwaarden te verlenen goedkeuring voor de toepassing van de partnerregeling voor mantelzorgers voor de erfbelasting in de jaren 2010 en 2011) toepassing mist omdat erflaatster in 2013 is overleden. Verder is artikel 1 van Pro het EP volgens verweerder niet geschonden.
7. Vaststaat dat aan eiser in 2013 een mantelzorgcompliment is verleend en dat erflaatster in hetzelfde jaar is overleden. Eiser kan daarom niet worden aangemerkt als partner van erflaatster in de zin van artikel 1a, vierde lid, van de Successiewet 1956. Het beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 mei 2013, nr. BLKB2013/909M, kan daarin geen verandering brengen omdat dit besluit slechts ziet op overlijdens in 2010 en 2011. Dat eiser eerst in de loop van 2013 op de hoogte is geraakt van de mogelijkheid om een mantelzorgcompliment aan te vragen is een omstandigheid die voor zijn rekening komt.
8. Aangaande hetgeen eiser heeft aangevoerd over het EP is de rechtbank van oordeel dat het ongestoorde genot van het eigendom niet afdoet aan het recht van een Staat maatregelen te treffen om het heffen van belastingen te verzekeren. De Staat heeft hierbij een ruime beoordelingsmarge en bedoelde maatregelen zijn slechts met het EP in strijd als die leiden tot een voor de belastingplichtige buitensporige last. Naar het oordeel van de rechtbank is de overheid, met het uitvaardigen van de in 7 aangehaalde bepalingen, binnen die ruime beoordelingsmarge gebleven. Gelet op de omvang van de belastbare erfrechtelijke verkrijging en de daarover verschuldigde erfbelasting is voorts geen sprake van een voor eiser buitensporige last. Het enkele feit dat in het geval waarin de partnervrijstelling wel van toepassing is minder belasting behoeft te worden betaald, brengt evenmin mee dat de belastingheffing over de verkrijging voor eiser tot een buitensporige last leidt. Het beroep van eiser op artikel 1 van Pro het EP faalt daarom. Verder is het de rechter, op grond van artikel 11 van Pro de Wet Algemene Bepalingen, niet toegestaan de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet te toetsen. Hetgeen eiser daaromtrent in het beroepschrift aanvoert faalt daarom ook.
9. Voor zover de door eiser aangevoerde beroepsgronden moeten worden opgevat als een beroep op de hardheidsclausule en voor zover die beroepsgronden zijn gericht tegen hetgeen verweerder daarover in het geding heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën. Verweerder is daartoe niet bevoegd en ook de opvatting van verweerder, dat een beroep op de hardheidsclausule in dit geval geen kans van slagen zou hebben, is, anders dan eiser kennelijk meent, voor het in rechte afdoen van deze zaak niet van belang. De aan de Minister voorbehouden bevoegdheid heeft ook tot gevolg dat voor de bestuursrechter, in het bijzonder de belastingrechter, niet met vrucht een beroep een beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan.
10. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.