ECLI:NL:RBDHA:2015:6734
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C.F. Mewe
- Chr.A.J.F.M. Hensen
- A.M. Boogers
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ne bis in idem bij bezit kinderporno
Verdachte werd vervolgd voor bezit van een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen en films in de periode maart 2009 tot maart 2011. De dagvaarding bevatte een primaire en subsidiaire tenlastelegging met gedetailleerde omschrijvingen van de beelden.
Eerder, in 2013, was verdachte vrijgesproken voor een soortgelijke verdenking met betrekking tot een deel van dezelfde beelden. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding in deze zaak partieel nietig was wegens onvoldoende feitelijke omschrijving, maar dat de feitelijk omschreven afbeeldingen geldig waren.
De rechtbank oordeelde dat de huidige vervolging feitelijk en juridisch overeenkomt met de eerdere zaak, waardoor sprake is van ne bis in idem. De officier van justitie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte.
De beslissing bevestigt het belang van duidelijke dagvaardingen en het beginsel dat iemand niet tweemaal voor hetzelfde feit kan worden vervolgd, ook bij overlap in de feitelijke onderbouwing van de tenlasteleggingen.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 11 juni 2015.
Uitkomst: De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ne bis in idem.