Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[Eisers 2], geboren op [geboortedatum], en
[Eisers 2], geboren op [geboortedatum], allen van Egyptische nationaliteit, samen te noemen: eisers 2,
Rechtbank Den Haag
In deze bestuursrechtelijke zaken hebben eisers verzocht om verlening van verblijfsvergunningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder verklaarde de bezwaarschriften niet-ontvankelijk omdat de aanvragen niet voldeden aan de vereiste kennisgeving via een formulier, zoals voorgeschreven in lagere regelgeving. De rechtbank oordeelt dat de brieven van eisers voldoen aan de definitie van een aanvraag volgens artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een regel van dwingend recht waar slechts bij formele wet van kan worden afgeweken.
De rechtbank stelt vast dat de door verweerder aangevoerde uitzonderingen in het Vreemdelingenbesluit 2000 niet rechtsgeldig zijn omdat de formele wetgever geen expliciete machtiging heeft verleend om af te wijken van de Awb-definitie van een aanvraag. Daarom zijn de administratieve afsluitingen van de zaken door verweerder aan te merken als schriftelijke weigeringen om te beslissen, wat gelijkstaat aan een besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk zijn.
De beroepen van eisers 1, 2 en 3 worden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen 12 weken alsnog inhoudelijk te beslissen op de aanvragen. Voor eiser 4 oordeelt de rechtbank dat het ingediende kennisgevingsformulier geen aanvraag vormt, omdat het geen verzoek om een besluit is, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan eisers 1, 2 en 3. De uitspraak benadrukt het belang van de dwingende definitie van een aanvraag in de Awb en beperkt de reikwijdte van lagere regelgeving in vreemdelingenprocedures.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de niet-ontvankelijkverklaringen en beveelt verweerder binnen 12 weken inhoudelijk te beslissen op de aanvragen van eisers 1, 2 en 3.