Uitspraak
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG
.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Den Haag, die betrokken waren bij een procedure over ontheffing van het ouderlijk gezag over haar minderjarige dochter. Verzoekster stelde dat de rechters partijdig waren omdat stukken van de Jeugdbescherming niet aan haar gemachtigde waren doorgezonden en er contact zou zijn geweest tussen de rechtbank en Jeugdbescherming achter haar rug om.
De wrakingskamer onderzocht het procesverloop en de communicatie rondom het uitstel van de uitspraak. Uit het dossier bleek dat de verwarring was ontstaan door een onjuiste aantekening in de rolagenda, waarbij een fax van de Jeugdbescherming over de reden van uitstel niet aan verzoekster was doorgezonden. De rechtbank had echter partijen verzocht te reageren op nieuwe informatie en had geen informatie achtergehouden.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of partijdigheid van de rechters. De vermeende schending van het hoor en wederhoor en het niet doorzenden van bepaalde stukken waren onvoldoende om de vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.