ECLI:NL:RBDHA:2015:4549
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voortgezet verblijf wegens onvoldoende aannemelijkheid slachtofferschap mensenhandel
Eiseres, van Togolese nationaliteit, verzocht om wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning van tijdelijke naar voortgezet verblijf op humanitaire gronden, mede vanwege haar claim slachtofferschap van mensenhandel. Verweerder trok de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in en wees de aanvraag af, omdat het mensenhandelrelaas onvoldoende aannemelijk was en de bijzondere individuele omstandigheden niet rechtstreeks verband hielden met mensenhandel.
De rechtbank bevestigt dat het toepasselijke recht het recht is dat gold ten tijde van de aanvraag, neergelegd in artikel 3.52 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B16/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank oordeelt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Haar gedetailleerde verklaringen volstaan niet, mede vanwege vaagheid, tegenstrijdigheden en het sepot van de aangifte.
Eiseres voerde aan dat de bewijslast onterecht bij haar lag en dat de richtlijn 2011/36/EU een ruimere toetsing voorschrijft, maar de rechtbank wijst dit af. Ook de belangen van haar minderjarige zoon worden voldoende meegewogen. De ambtshalve toetsing door verweerder was niet verplicht omdat de oorspronkelijke aanvraag niet onder de limitatieve categorieën viel.
De rechtbank concludeert dat de bijzondere individuele omstandigheden die eiseres aanvoert, zoals bedreiging door haar familie en psychische problemen, niet rechtstreeks verband houden met het niet-aannemelijk geachte slachtofferschap van mensenhandel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verblijfsvergunning wordt niet gewijzigd of verlengd.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de intrekking en weigering van verlenging van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende aannemelijkheid van het slachtofferschap mensenhandel.