ECLI:NL:RVS:2014:4301
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens niet-slachtofferschap mensenhandel
Bij besluit van 5 juni 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de aanvragen van twee vreemdelingen voor wijziging en verlenging van hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze vergunningen ingetrokken. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de staatssecretaris niet mocht concluderen dat vreemdeling 1 geen slachtoffer van mensenhandel is, en dat onvoldoende is gemotiveerd dat terugkeer naar Kameroen risico op represailles oplevert. De staatssecretaris heeft terecht geoordeeld dat vreemdeling 1 niet aannemelijk heeft gemaakt slachtoffer te zijn, mede omdat het gerechtshof het strafrechtelijk onderzoek heeft geseponeerd.
Verder is overwogen dat de bescherming op grond van de Vreemdelingencirculaire vervalt bij sepot van de strafzaak. Ook de door vreemdeling 1 ingediende klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verandert hier niets aan. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat terugkeer in strijd is met artikel 8 EVRM Pro of artikel 3 IVRK Pro. Het hoger beroep is daarom gegrond, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen intrekking van hun verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.