9.3Eiseres stelt verder dat haar in 2011 € [bedrag 3] aan omzetbelasting in rekening is gebracht ter zake van gemengde kosten en dat de aftrek daarvan dient te worden bepaald volgens de pro‑ratamethode. De overheidsbijdragen en kapitaalslasten zijn volgens eiseres geen vergoedingen voor prestaties in de zin van de omzetbelasting en moeten daarom niet worden meegeteld bij het totaal van de vergoedingen van de belaste en de vrijgestelde prestaties.
10. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot nihil en het verlenen van een teruggaaf over het tweede kwartaal van € 93.733 (€ [bedrag 3] -/- € 112.488 -/- € [bedrag 3]) en tot het verlenen van een teruggaaf over het eerste, derde en vierde kwartaal van € [bedrag 3] (€ [bedrag 3] -/- € [bedrag 3] -/- € 218.336).
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar tegen de voldoening terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding en dat de naheffingsaanslag terecht niet verder is verminderd dan bij de uitspraak op bezwaar is gebeurd.
12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Het bezwaar tegen de voldoening op aangiften
13. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) voor een beroepschrift op de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 13 februari 2014, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 27 maart 2014. Het beroepschrift is eerst op 9 mei 2014 ontvangen door de rechtbank. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege blijft, indien de termijnoverschrijding de betrokkene niet kan worden toegerekend. Nu de uitspraak op bezwaar geen beroepsclausule bevat, is daarvan in het voorliggende geval sprake. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
14. Op grond van artikel 22j, aanhef en onderdeel b, van de Awr, begint de termijn voor het indienen van bezwaar tegen een voldoening op aangifte van omzetbelasting op de dag na de voldoening. De omzetbelasting die op aangifte moet worden voldaan moet vóór het einde van de maand volgend op het aangiftetijdvak zijn betaald, in het voorliggende geval betekent dit dat de belasting uiterlijk op 31 januari 2012 moest zijn voldaan. Dat de omzetbelasting die eiseres verschuldigd werd over 2011 eerst na 31 januari 2012 is betaald, is gesteld noch gebleken. De termijn voor het indienen van een bezwaar tegen deze voldoening op aangifte is daarom uiterlijk aangevangen op 1 februari 2012 en geëindigd op 13 maart 2012.
15. Het bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte is eerst ingediend op 17 januari 2013. Gelet op hetgeen is overwogen in 13 en 14 is het bezwaarschrift dus niet tijdig ingediend. Eiseres stelt dat verweerder met het ambtshalve verlenen van een teruggaaf is teruggekomen op de niet‑ontvankelijkverklaring. Wat daarvan zij, dit maakt niet dat het bezwaar alsnog ontvankelijk moet worden geacht. De wettelijke bezwaartermijn is een voorschrift van openbare orde dat de rechtbank ambtshalve moet toetsen. Een andersluidende opvatting of ruimhartige opstelling van het desbetreffende bestuursorgaan is daarbij niet relevant. Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb zijn gesteld noch gebleken. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de voldoening op aangifte voor het eerste, derde en vierde kwartaal van 2011 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De vergoeding voor de integratielevering
16. De vergoeding voor de integratielevering moet op grond van artikel 8, derde lid van de Wet OB worden gesteld op de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen of, als die er niet is, de kostprijs ten tijde van de integratielevering. In het voorliggende geval is geen sprake van een aankoopprijs en is het, naar het oordeel van de rechtbank, buiten twijfel dat de bouwleges deel uitmaken van de kostprijs van het ziekenhuis en daarmee behoren tot de vergoeding voor de integratielevering. Het door eiseres aangehaalde arrest “Danske Bilimportører” leidt niet tot een ander oordeel, omdat het daar ging om de vraag in hoeverre een door de verkoper doorberekend bedrag behoorde tot de vergoeding die door de leverancier in rekening werd gebracht. Het ging daarbij derhalve om de invulling van het begrip vergoeding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet OB. Verweerder heeft dan ook terecht de leges niet buiten de vergoeding gelaten.
De extra aftrek van voorbelasting
17. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Uitvoeringsbeschikking), komt van de belasting die aan de ondernemer in rekening is gebracht ter zake van goederen en diensten die worden gebruikt voor zowel belaste als onbelaste prestaties (de gemengd gebruikte prestaties), dat gedeelte voor aftrek in aanmerking dat in dezelfde verhouding staat tot die belasting als het totaal van de vergoedingen voor belaste prestaties staat tot het totaal van de vergoedingen voor belaste en onbelaste prestaties (pro-ratamethode). Indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de gemengd gebruikte prestaties, als geheel genomen, niet overeenstemt met de uitkomst volgens de pro-ratamethode, wordt, op grond van het tweede lid van genoemd artikel, het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die prestaties berekend op basis van het werkelijke gebruik. Het tweede lid vindt alleen toepassing als het werkelijke gebruik nauwkeurig kan worden bepaald en de partij die zich daarop beroept aannemelijk maakt dat het uitgaan van het werkelijke gebruik tot een juistere aftrek leidt dan de pro-ratamethode.
18. Eiseres heeft toepassing gegeven aan artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking en de kosten gesplitst in kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan belaste prestaties, kosten die rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan vrijgestelde prestaties en gemengde kosten. Voor de aftrek van de op de gemengde kosten drukkende voorbelasting heeft eiseres de pro-ratamethode toegepast. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat in het ziekenhuis alleen de centrale hal en de ruimte van de administratie gemengd worden gebruikt, zodat van gemengd gebruik slechts in zeer beperkte mate sprake is. Berekening van de aftrek op basis van het werkelijke gebruik is volgens hem daarom zuiverder dan berekening volgens de pro-ratamethode.
19. Omdat verweerder wenst af te wijken van de pro-ratamethode ligt het op zijn weg om het werkelijke gebruik nauwkeurig te bepalen en aannemelijk te maken dat het uitgaan van dat werkelijke gebruik tot een juistere aftrek leidt dan de pro-ratamethode. Verweerder stelt dat het werkelijke gebruik van het gebouw eenvoudig is vast te stellen aan de hand van het gebruik per vierkante meter van het gebouw. Omdat hij niet beschikt over alle daarvoor vereiste gegevens zoals de precieze oppervlaktematen, heeft hij aansluiting gezocht bij de wijze waarop eiseres de aftrek van de integratieheffing heeft berekend en stelt hij dat werkelijke gebruik vast op 3%. Hij verwijst in dat verband mede naar de vierkante meters zoals die volgens hem blijken uit de plattegrond van het ziekenhuis die op de website van het ziekenhuis is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee het werkelijke gebruik slechts bij benadering bepaald, hetgeen onvoldoende is om af te wijken van de pro-ratamethode. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat de betreffende plattegrond incompleet is, omdat daarop verschillende ruimten ontbreken. In zoverre is het gelijk dus aan eiseres en dient te worden uitgegaan van de pro-ratamethode. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder, met zijn in 5 weergegeven berekening, materieel ook de pro‑ratamethode heeft toegepast.
20. Dat de pro-ratamethode moet worden toegepast, neemt echter niet weg dat de bewijslast voor het recht op aftrek van voorbelasting bij eiseres ligt. Zij zal daarom de bedragen die zij heeft gehanteerd bij de berekening van het pro-rata percentage en de hoogte van de door haar in aanmerking genomen gemengde kosten aannemelijk moeten maken. Eiseres heeft een aantal kostenposten geselecteerd waarvan zij verwachtte dat daarop gemengde kosten geboekt konden zijn. Vervolgens heeft zij een deel van die kosten daadwerkelijk als gemengd aangemerkt zonder dat zij inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan zij die beslissing heeft genomen. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet dat een deel van die door eiseres als gemengd aangemerkte kosten, volledig kan worden toegerekend aan haar vrijgestelde prestaties. Eiseres heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat alle door haar als gemengd aangemerkte kosten ook werkelijk gemengde kosten zijn.
Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat de door haar als kapitaalslasten en overheidsbijdragen aangeduide bedragen niet behoren tot de vergoedingen die zij ontvangt voor het behandelen van patiënten, oftewel tot de vergoeding voor haar onbelaste prestaties. Aangenomen kan worden dat een vergoeding voor een geleverd goed of een verleende dienst van welke aard en onder welke omstandigheden ook, naast een winstopslag of een arbeidsbeloning, alle componenten bevat ter compensatie van alle offers die voor de levering of dienstverlening moesten worden gebracht en alle kosten die daarvoor moesten worden gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat de kapitaalslasten en de overheidsbijdragen niet worden ontvangen als compensatie van door eiseres voor haar dienstverlening te maken kosten. Deze bedragen zijn dan ook bedoeld om het eiseres mogelijk te maken haar werkzaamheden uit te voeren en maken daarmee onderdeel uit van de totale vergoeding die eiseres ontvangt voor de door haar ontplooide activiteiten. De niet met bescheiden onderbouwde stellingen van eiseres dat de kapitaalslasten een op een subsidie gelijkende vergoeding zijn voor de kosten van haar huisvesting en dat er geen verband bestaat tussen de door haar verleende medische zorg en de hoogte van die vergoeding en dat de overheidsbijdragen geen relatie hebben tot de DBC-financiering en daarom geen vergoeding kunnen vormen voor haar zorgactiviteiten, zijn onvoldoende om deze bedragen, waarvan niet in geschil is dat eiseres deze daadwerkelijk heeft ontvangen, buiten de totale omzet van eiseres te houden.
Gezien het voorstaande is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het door haar berekende bedrag van de aftrek van voorbelasting betrekking hebbend op de gemengde kosten, juist is.
21. Op grond van het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat de aftrek van voorbelasting voor het tweede kwartaal van 2011, voor zover die betrekking heeft op de gemengde kosten, moet worden vastgesteld op basis van de pro-ratamethode, doch niet op een hoger bedrag dan dat waarmee verweerder de naheffingsaanslag reeds heeft verminderd bij de uitspraak op bezwaar.
22. Gelet op al wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
23. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.