Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2015 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Hiertoe voert eiser primair aan dat hij zijn asielwens heeft geuit op 24 januari 2013 en zich op 25 januari 2013 in AC Ter Apel heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen. Daarom moet 25 januari 2013 als aanvangsdatum van zijn asielprocedure gelden en niet 11 juli 2013, de datum dat hij zijn aanvraag heeft ingediend, zodat aan het beleid voor amv’s had moeten worden getoetst zoals dat gold op 25 januari 2013.
Het oordeel dat de aanvraag is ingediend op 11 juli 2013 betekent niet dat pas vanaf die datum de wettelijke beslistermijn, als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vw, is gaan lopen. Op 24 januari 2013 heeft eiser immers zijn asielwens geuit. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (de Procedurerichtlijn) en moet de asielwens worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Dat deze aanvraag nog niet is ingediend op de wettelijk voorgeschreven wijze brengt niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. De rechtbank wijst op de uitspraak van de ABRvS van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4264). De termijn waarbinnen een vreemdeling na het uiten van zijn asielwens in de gelegenheid moet worden gesteld een asielaanvraag in te dienen, is niet geregeld in de Procedurerichtlijn. Deze termijn lost in het Nederlandse recht als het ware op in de beslistermijn. Uit een uitspraak van de ABRvS van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2079) blijkt dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb rechtsbescherming biedt tegen trage besluitvorming door de aanvrager de mogelijkheid te geven om bij het overschrijden van de wettelijke beslistermijn van zes maanden (waarin is inbegrepen de termijn tussen het uiten van de asielwens en het indienen van de asielaanvraag) beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Voor het ambtshalve verlenen van een amv-verblijfsvergunning, waarvan in case sprake is, geldt echter geen wettelijke beslistermijn en het uitblijven van een dergelijke beslissing kan daarom volgens vaste rechtspraak van de ABRvS niet ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb worden gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen geen voorziening als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, Awb openstaat. De rechtbank verwijst onder meer naar de uitspraak van de ABRvS van 27 januari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AW4056). Dit betekent echter niet dat er bij ambtshalve besluiten geen rechtsbescherming tegen trage besluitvorming is. Uit het in artikel 3:2 van Pro de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel vloeit voort dat verweerder gehouden is om – gelet op alle omstandigheden van het geval – voldoende voortvarendheid in zijn besluitvorming te betrachten en binnen een redelijke termijn te beslissen. Onder omstandigheden zou zelfs sprake kunnen zijn van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:3 van Pro de Awb, indien verweerder om oneigenlijke redenen de minderjarige vreemdeling pas na lange tijd in de gelegenheid stelt een asielaanvraag in te dienen en aldus de in het kader van de asielprocedure ambtshalve te nemen beslissing over het verlenen van een amv-vergunning, uitstelt.
Nu eiser minderjarig is en daarom in het kader van zijn asielprocedure ook ambtshalve wordt beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een amv-vergunning, is de termijn voor die ambtshalve beslissing net als de termijn voor de beslissing op het asielverzoek aangevangen op 24 januari 2013, de datum dat eiser zijn asielwens heeft geuit. De rechtbank stelt vast dat tussen die datum en de datum waarop eiser door verweerder in de gelegenheid is gesteld zijn formele asielaanvraag in te dienen, een periode van ongeveer vijf en een halve maand is gelegen. Verweerder heeft erkend dat deze termijn langer dan gebruikelijk is en heeft daarvoor de hiervoor onder 4 en 5 vermelde redenen gegeven. Tussen partijen is in geschil of eiser in een besloten opvang heeft verbleven waardoor er een deprogrammeringstijd van drie maanden gold. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden blijven, aangezien eiser ook niet kort na een periode van drie maanden in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag in te dienen, maar pas na vijf en een halve maand. Verweerder heeft als reden voor dit tijdsverloop na afloop van een eventuele deprogrammeringsperiode gesteld dat sprake was van interne capaciteitsproblemen. Dergelijke problemen kunnen echter – zoals eiser terecht aanvoert – niet aan eiser worden tegengeworpen en vormen dus geen rechtvaardiging voor de lange wachttijd. Nu andere redenen voor het tijdsverloop niet zijn gesteld, moet worden geoordeeld dat sprake is van een nodeloos lange wachttijd en dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Vaststaat dat verweerder, indien eiser kort na verloop van een termijn van drie maanden in de gelegenheid zou zijn gesteld zijn asielaanvraag in te dienen, voor de ambtshalve beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een reguliere vergunning zou hebben getoetst aan het tot 1 juni 2013 geldende amv-beleid. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit in redelijkheid niet kunnen oordelen dat op eiser het herijkte amv-beleid van toepassing is. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen grond dit gebrek te passeren, nu verweerder ter zitting heeft erkend dat eiser (enig) belang heeft bij toetsing aan het oude in plaats van het herijkte amv-beleid. Het bestreden besluit zal dus worden vernietigd. In de aard en gevolgen van het gebrek ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen, waarbij wordt getoetst aan het oude amv-beleid. Wat eiser heeft aangevoerd over het herijkte amv-beleid, kan buiten bespreking blijven.