ECLI:NL:RBDHA:2015:16041
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende partijdigheid
In deze zaak heeft verzoeker beroep ingesteld tegen een administratieve sanctie opgelegd door de officier van justitie. Tijdens de behandeling van het beroep heeft de kantonrechter van verzoeker een specifieke machtiging en een geldig legitimatiebewijs geëist, terwijl van de gemachtigde van de officier van justitie geen machtiging werd verlangd. Verzoeker vreesde hierdoor vooringenomenheid van de kantonrechter en diende een wrakingsverzoek in.
De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard omdat het tijdig was ingediend. Bij de beoordeling is vastgesteld dat een rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. De kamer oordeelde dat het eisen van een specifieke machtiging en legitimatiebewijs een normale proceshandeling is en geen aanwijzing voor partijdigheid vormt.
Verder bleek uit de beoordeling dat de kantonrechter niet vooruitliep op de inhoudelijke beoordeling en geen schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Er waren geen andere feiten of omstandigheden die een vermoeden van partijdigheid konden rechtvaardigen. Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het proces in de hoofdzaak voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.