Uitspraak
[verdachte] ,
Het onderzoek ter terechtzitting
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Beslissing.
mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde op 3 december 2015 een vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van een Duitse gevangenisstraf in Nederland. De veroordeelde was in Duitsland veroordeeld voor medeplegen van fraude met bankpassen en had delen van zijn straf in Nederland en Duitsland doorgebracht.
De kern van het geschil betrof de vraag welke wettelijke regeling van toepassing was: de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) of de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Duitsland had het verzoek tot overbrenging gegrond op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) en de WOTS, terwijl de WETS sinds 1 november 2012 van kracht is en de WOTS vervangt in de relatie met EU-lidstaten die de kaderbesluiten hebben geïmplementeerd.
De rechtbank stelde vast dat Duitsland op 17 juli 2015 de kaderbesluiten had geïmplementeerd en het verzoek tot overbrenging pas daarna had ingediend. Daarom was het verzoek ten onrechte gegrond op het VOGP en de WOTS. De rechtbank oordeelde dat de WETS van toepassing is, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Dit leidde tot het vervallen van het bevel tot gevangenhouding en onmiddellijke vrijlating van de veroordeelde.
De rechtbank wees het verzoek van de officier van justitie af en stelde de veroordeelde onmiddellijk in vrijheid.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeelde is onmiddellijk in vrijheid gesteld.