ECLI:NL:RBDHA:2015:14996
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Russische asielzoeker, diende op 20 juli 2015 een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser reeds op 31 maart 2015 een asielaanvraag in Polen had ingediend. Op grond van de Dublinverordening werd aan Polen gevraagd eiser terug te nemen, wat Polen heeft bevestigd.
Eiser voerde aan dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege de opvang- en levensomstandigheden en de asielprocedure aldaar. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Polen tekortschiet in zijn verplichtingen. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelde dat er geen algemene grond is om te veronderstellen dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet nakomt.
Eiser verzocht tevens om opschorting van zijn uitzetting zolang zijn strafzaak in Nederland loopt. De rechtbank vond dit verzoek ongegrond omdat eiser juridische bijstand in Nederland heeft en geen noodzaak bestond voor zijn verblijf in Nederland voor de strafprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om opschorting van uitzetting wordt afgewezen.