ECLI:NL:RBDHA:2015:14097
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, werd geconfronteerd met intrekking van deze vergunning door verweerder op grond van een ambtshalve uitschrijving uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) wegens vermeende emigratie op 29 mei 2000.
Eiser voerde aan dat hij zijn hoofdverblijf nooit buiten Nederland heeft verplaatst en dat de uitschrijving uit de GBA onvoldoende bewijs vormt. Verweerder baseerde het besluit op de GBA-uitschrijving en het ontbreken van objectief verifieerbare bewijsstukken van eiser die het verblijf in Nederland na die datum aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij verweerder ligt en dat de enkele uitschrijving uit de GBA niet zonder nadere onderbouwing kan leiden tot de conclusie dat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. De rechtbank stelde vast dat eiser na 29 mei 2000 meerdere keren adressen in Nederland heeft opgegeven en verblijfsdocumenten persoonlijk heeft opgehaald, wat wijst op verblijf in Nederland.
Daarom was verweerder niet bevoegd de verblijfsvergunning in te trekken. Het bestreden besluit werd vernietigd en de rechtbank besloot zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Tevens werden proceskosten toegekend aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.