Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
[belanghebbende], te [woonplaats] , belanghebbende.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een beroep van een werkgever tegen het besluit van het UWV om een WW-uitkering toe te kennen aan een ex-werknemer en deze uitkering op de werkgever te verhalen. De ex-werknemer was in dienst bij de werkgever voor een jaar en de arbeidsovereenkomst werd beëindigd zonder dat sprake was van een dringende reden voor ontslag.
De werkgever stelde dat de ex-werknemer haar had misleid door niet te melden dat hij voorafgaand aan de indiensttreding een WW-uitkering ontving en dat er sprake was van verwijtbare werkloosheid vanwege onvoldoende functioneren en mogelijk opzet. De rechtbank oordeelde dat het functioneren niet zodanig ernstig was dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
De rechtbank stelde vast dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een dringende reden voor ontslag was en dat er geen verwijtbare werkloosheid was. De toekenning van de WW-uitkering aan de ex-werknemer was daarom terecht en het UWV mocht de uitkering op de werkgever verhalen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt bevestigd en op de werkgever verhaald.