ECLI:NL:RBDHA:2015:1387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2015
Publicatiedatum
12 februari 2015
Zaaknummer
C/09/479267 / KG RK 14-2422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke Wob-zaak

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Minister van Defensie op haar bezwaar in een zaak over de Wet openbaarheid van bestuur. Tijdens de mondelinge behandeling op 11 december 2014 heeft verzoekster de rechter gewraakt vanwege het accepteren van een laat ingediend document van het ministerie en het niet oproepen van een getuige die verzoekster wilde horen.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 12 januari 2015 behandeld, waarbij verzoekster niet aanwezig was maar haar gemachtigde wel. De rechter heeft schriftelijk verweer gevoerd. De kamer overweegt dat het accepteren van het document en het niet oproepen van de getuige procedurele beslissingen zijn die op zichzelf geen reden tot wraking vormen.

De wrakingskamer stelt dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter. Ook is verzoekster in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het late stuk. Daarom wordt het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het proces in de hoofdzaak voortgezet.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en het proces wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2014/72
zaak-/rekestnummer: C/09/479267 / KG RK 14-2422
SGR: 13/9178
datum beschikking: 26 januari 2015
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
[verzoekster]
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
bijgestaan door [gemachtigde],
strekkende tot wraking van:
mr. A.E. Dutrieux,
rechter in de rechtbank Den Haag, Team bestuursrecht (hierna: de rechter).
Belanghebbende is het Ministerie van Defensie,
vertegenwoordigd door mr. C.A. Geleijnse en mr. M.H. Bohmer.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de Minister van Defensie op door haar ingesteld bezwaar. De zaak betreft een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Op 11 december 2014 heeft (voortzetting van) de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft verzoekster de rechter gewraakt.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 12 januari 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoekster is niet verschenen. Namens haar is gemachtigde [naam gemachtigde] verschenen. Hij heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht.
De rechter heeft schriftelijk verweer gevoerd. Zij is niet ter zitting verschenen.

3.Het standpunt van verzoeker

Verzoekster stelt, zakelijk weergegeven, dat de rechter een document heeft geaccepteerd en aan het procesdossier toegevoegd dat door het Ministerie van Defensie ter zitting op 11 december 2014 en derhalve te laat is ingediend. Het document had uiterlijk 10 dagen voor de zitting ingediend moeten worden. Nu de rechter het stuk niettemin heeft geaccepteerd heeft zij zich niet aan de wet gehouden. De rechter had het stuk naast zich neer moeten leggen. Volgens verzoekster is voorts van belang dat het stuk al geruime tijd voor de zitting bestond.
De rechter heeft daarnaast een getuige die verzoekster wenste te horen niet opgeroepen. In de “optelsom” van de twee beslissingen heeft verzoekster aanleiding gezien om de rechter te wraken.

4.Het standpunt van de rechter

De rechter voert aan dat zij het Ministerie van Defensie heeft toegestaan om een pagina uit haar verzendadministratie in het geding te brengen. Zij heeft daarnaast ter zitting meegedeeld geen aanleiding te zien om de door verzoekster gevraagde getuige op te roepen, omdat dat, gelet op de stand van de zaak, naar haar oordeel redelijkerwijs niet zou bijdragen aan de beoordeling daarvan. Volgens de rechter betreft het procedurele beslissingen die afzonderlijk noch in onderling verband bezien kunnen leiden tot de conclusie dat zij niet onpartijdig is jegens verzoekster, althans dat de schijn van partijdigheid is gewekt.

5.De beoordeling

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
De wrakingskamer overweegt dat de beslissingen van de rechter om het door het Ministerie van Defensie ter zitting overgelegde document aan het procesdossier toe te voegen en om een getuige die verzoekster wenste te horen niet voor verhoor op te roepen dienen te worden aangemerkt als processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in beginsel geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De wrakingskamer neemt hierbij nog in aanmerking dat verzoekster door de rechter in de gelegenheid is gesteld om na de zitting schriftelijk te reageren op het door het Ministerie van Defensie ter zitting overgelegde document.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de rechter mr. A.E. Dutrieux;
• de belanghebbende, het Ministerie van Defensie.
Deze beslissing is gegeven door mrs. D. Aarts, S.J. Hoekstra-van Vliet en R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2015.