ECLI:NL:RBDHA:2015:12561

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2015
Publicatiedatum
3 november 2015
Zaaknummer
C/09/493297
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:250 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing minderjarigen naar Groot-Brittannië

De moeder verzocht op grond van artikel 1:253a BW om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige kinderen naar Groot-Brittannië. De vader voerde verweer en stelde meerdere tegenverzoeken, waaronder benoeming van een bijzondere curator en vaststelling van hoofdverblijfplaats.

De rechtbank heeft de belangen van alle betrokkenen zorgvuldig afgewogen, waarbij het belang van de kinderen centraal stond, maar ook de rechten van de ouders en de praktische gevolgen van de verhuizing werden meegewogen. De moeder kon niet aannemelijk maken dat zij genoodzaakt was te verhuizen, noch dat de verhuizing goed was voorbereid.

De kinderen hadden geen concreet beeld bij de verhuizing en waren tevreden op hun huidige scholen en activiteiten. De communicatie tussen ouders was gebrekkig en de verhuizing zou het contact tussen vader en kinderen aanzienlijk verminderen. De rechtbank zag geen noodzaak voor benoeming van een bijzondere curator of onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Daarom wees de rechtbank het verzoek van de moeder af en ook de verzoeken van de vader, waarmee de hoofdverblijfplaats en andere zaken niet werden gewijzigd.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing naar Groot-Brittannië wordt afgewezen, evenals de verzoeken van de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 15-5833
Zaaknummer: C/09/493297
Datum beschikking: 28 oktober 2015

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 23 juli 2015 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerder]

de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.C. de Jong te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • een brief d.d. 8 oktober 2015, inhoudende een aanvullend zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de zijde van de vader.
De minderjarigen [minderjarige] en [minderjarige] hebben zich in raadkamer uitgelaten over de verzoeken.
Op 21 oktober 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Groot-Brittannië te verhuizen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • primair: een bijzondere curator over de minderjarigen te benoemen;
  • subsidiair: de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader te bepalen en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de minderjarigen vast te stellen, zoals in onderling overleg te bepalen;
  • meer subsidiair: voor recht te verklaren dat alle extra reiskosten, waaronder vliegtickets en benzinekosten, door de moeder aan de vader zullen worden voldaan;
  • de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te laten verrichten naar de situatie waarin de kinderen zich bevinden.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:
• [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
• [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
  • De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

Beoordeling

De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.
De moeder verzoekt de rechtbank om haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Groot-Brittannië te verhuizen. De vader verweert zich hiertegen.
De rechtbank dient een beslissing te nemen die haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:BC5901) volgt dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechtbank zal bij haar beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.
In het onderhavige geschil dienen de navolgende omstandigheden en belangen te worden meegewogen:
  • het recht en belang van de moeder om te verhuizen en in vrijheid haar leven (opnieuw) in te richten;
  • de noodzaak voor de moeder om te verhuizen;
  • de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;
  • de door de moeder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige te verzachten en/of te compenseren;
  • de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
  • de rechten van de man en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de vader voor en na de verhuizing;
  • de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin zij zijn geworteld in hun omgeving of juist gewend zijn aan verhuizingen;
  • de (extra) kosten van de omgangscontacten na de verhuizing.
Bij die belangenafweging neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Vooropgesteld dient te worden dat de moeder in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank niettemin van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor haar verhuizing dient te worden afgewezen.
De rechtbank acht geen noodzaak voor de moeder aanwezig om naar Groot-Brittannië te verhuizen, althans de moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij genoodzaakt is te verhuizen. Voor die conclusie is het onvoldoende dat haar partner, met wie zij reeds negen jaar een relatie heeft en heeft samengewoond, door zijn werkgever vanwege economische redenen een jaar geleden is overgeplaatst naar Groot-Brittannië en zij en de minderjarigen graag bij hem willen wonen.
Voorts blijkt niet dat de (eventuele) verhuizing goed is voorbereid en doordacht. Niet wordt aangegeven waarnaartoe in Groot-Brittannië zal worden verhuisd en naar welke scholen de minderjarigen zouden kunnen gaan. Eerst ter zitting is door de moeder medegedeeld dat haar partner in Ipswich woont en is ter sprake gekomen dat de minderjarigen het eerste jaar eventueel onderwijs via de wereldschool zouden kunnen volgen.
Daarbij komt dat gebleken is dat het momenteel met [minderjarige] weer goed gaat op haar huidige school. Vorig schooljaar wilde zij nog van school veranderen. Ook [minderjarige] , die sinds dit schooljaar naar het voortgezet onderwijs gaat, heeft het naar haar zin op school. Beide meisjes zitten op paardrijden en hebben gezamenlijk een verzorgpony waar zij iedere dag naartoe gaan. Beide kinderen zijn weinig uitgesproken over een verhuizing naar Groot-Brittannië. Zij hebben er geen concreet beeld bij. Volgens de meisjes is de Engelse taal voor hun ook moeilijk.
De moeder heeft verder op geen enkele wijze reëel overleg met de vader gevoerd over haar voorgenomen verhuizing, terwijl aannemelijk is dat de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de vader na de verzochte verhuizing zal afnemen. De duur van een enkele reis vanuit de omgeving van [plaats] naar [woonplaats] berekent de rechtbank op minimaal drie uur. Hoewel zowel de moeder als de minderjarigen hebben aangegeven dat een dergelijke afstand geen probleem zal opleveren, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat de minderjarigen op een gegeven moment genoeg krijgen van het om de week heen en weer reizen naar Nederland en dan slechts in mindere mate naar Nederland willen voor omgang met de vader. Door de verhuizing zal er in ieder geval doordeweeks geen omgang meer tussen de vader en de minderjarigen mogelijk zijn. Ook zijn door de moeder geen alternatieven en maatregelen geboden om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen (en de vader) in tijd te verzachten en/of te compenseren. Voorts hebben partijen beiden ter zitting aangegeven dat er thans nauwelijks communicatie en overleg is, hetgeen het risico op nog verdere inperking van het contact tussen de kinderen en hun vader verhoogt.
Hoofdverblijfplaats
Nu het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te bepalen, indien en voor zover de moeder de verhuizing doorgang zal laten vinden. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Bijzondere curator
Nu het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek een bijzondere curator ex artikel 1:250 BW Pro te benoemen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Raad voor de Kinderbescherming
De rechtbank ziet, gelet op de stukken, het kindgesprek en het verhandelde ter zitting, geen reden voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar de situatie waarin de minderjarigen zich bevinden. Het gaat goed met hen en zij hebben contact met beide ouders. Het verzoek van de vader daartoe zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van de moeder af;
wijst de verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, J.M. Vink en J. Visser, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I. van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2015.