ECLI:NL:RBDHA:2015:11174
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM ondanks gezinsleven in Nederland
Verzoekster, met Burundische nationaliteit, woont sinds 2005 in Nederland en oefent gezinsleven uit met haar partner en twee minderjarige dochters die in Nederland zijn geboren. Haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
De rechtbank toetst terughoudend of de belangenafweging van de staatssecretaris een fair balance vormt tussen het belang van verzoekster bij gezinsleven en het algemeen belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid. Hoewel sprake is van inmenging in het recht op gezinsleven, oordeelt de rechtbank dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Verzoekster heeft haar verblijf na intrekking van haar asielvergunning voortgezet zonder rechtmatige basis en er zijn geen objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Burundi of Angola voort te zetten.
De jonge leeftijd van de kinderen, het ontbreken van Nederlandse nationaliteit en het feit dat de partner een WWB-uitkering ontvangt, wegen mee in het besluit. Medische problemen van verzoekster zijn onvoldoende onderbouwd. Het beroep op het arrest Jeunesse wordt verworpen wegens niet vergelijkbare omstandigheden. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.