ECLI:NL:RBDHA:2014:8412
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt bindend karakter vaststellingsovereenkomst bij erfbelasting woningen
De zaak betreft een geschil over de waarde van woningen binnen een nalatenschap en de toepassing van een vaststellingsovereenkomst tussen erfgenamen en de Belastingdienst. De kernvraag was of de vaststellingsovereenkomst, gesloten na de wetswijziging van 1 januari 2010 die de WOZ-waarde als grondslag voor erfbelasting voorschrijft, nog bindend is. De rechtbank oordeelt dat ondanks de wettelijke wijziging partijen vrij zijn om middels een vaststellingsovereenkomst de waarde anders vast te stellen, vooral gezien onzekerheid over verhuur en erfpacht.
De rechtbank stelt vast dat de vaststellingsovereenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:900 BW Pro en niet strijdig is met dwingend recht, noch met goede zeden of openbare orde. De Belastingdienst kon niet aannemelijk maken dat de waarde volgens de taxatie niet de economische waarde weerspiegelt. Ook het argument dat vanaf 2010 geen vaststellingsovereenkomst meer mogelijk zou zijn, wordt verworpen.
De aanslag erfbelasting wordt verminderd op basis van de vastgestelde waarde uit de overeenkomst. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten aan eiseres, vastgesteld volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De overige geschilpunten behoeven geen verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vermindert de aanslag erfbelasting en veroordeelt de Belastingdienst tot proceskostenvergoeding.