Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het op 26 september 2013 ingekomen verzoekschrift,
- de brief van de IND van 14 november 2013,
- de brieven van de officier van justitie van 9 december 2013 en 6 januari 2014.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft namens zijn minderjarige kinderen [A] en [B] verzocht om vaststelling dat zij de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen door wettiging of optie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank oordeelt dat [A] inmiddels meerderjarig is en verzoeker niet langer zijn wettelijk vertegenwoordiger is, waardoor het verzoek voor [A] niet-ontvankelijk is. Voor zover het verzoek ontvankelijk zou zijn, wordt het afgewezen.
Ten aanzien van [B] overweegt de rechtbank dat de kinderen door erkenning vóór het huwelijk van verzoeker met hun moeder niet door wettiging zonder erkenning zijn geworden, zodat artikel 4 lid 3 RWN Pro niet van toepassing is. Daarnaast is niet gebleken dat aan de voorwaarden van artikel 6 lid 1 sub c RWN Pro is voldaan, omdat erkenning plaatsvond voordat verzoeker Nederlander was en geen optieverklaring is afgelegd.
De rechtbank wijst het verzoek af en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk voor zover het [A] betreft.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard voor [A] en het verzoek voor [B] wordt afgewezen.