ECLI:NL:RBDHA:2014:5280
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing vluchtelingenstatus bij gezinshereniging
Eiser, houder van een verblijfsvergunning op grond van de subsidiaire beschermingsstatus, stelde beroep in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de vluchtelingenstatus. Hij betoogde dat de vluchtelingenstatus gunstigere rechten op gezinshereniging biedt dan de subsidiaire beschermingsstatus, met name voor gezinsvorming met zijn verloofde van Eritrese nationaliteit.
De rechtbank overwoog dat de Vreemdelingenwet 2000 een uniforme asielstatus kent, waarbij de verblijfsvergunning asiel ook geldt voor gezinshereniging met vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus. Dit leidt ertoe dat de rechten op gezinshereniging gelijk zijn voor beide groepen, ondanks de verschillen in de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn.
Verder werd gewezen op de wettelijke beperking dat gezinsbanden die na binnenkomst in Nederland zijn ontstaan, niet in aanmerking komen voor gezinshereniging, een beperking die ook geldt voor vluchtelingen en subsidiair beschermden. Hierdoor kan eiser geen betere rechtspositie verkrijgen door de vluchtelingenstatus.
De rechtbank zag daarom geen belang bij de beoordeling van het beroep en verklaarde het niet-ontvankelijk. De stelling dat eiser ten onrechte de vluchtelingenstatus werd onthouden, werd niet inhoudelijk behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij beoordeling.