ECLI:NL:RBDHA:2014:4774
Rechtbank Den Haag
- Proceskostenveroordeling
- H.M. Braam
- L. Koper
- G.F. van der Linden-Burgers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete sociale zekerheidswetgeving in strijd met EVRM artikel 7
Eiser kreeg een boete opgelegd van €17.206,17 wegens het niet tijdig melden van inkomsten, wat leidde tot een terugvordering van te veel ontvangen uitkering. Verweerder handhaafde de boete op basis van het nieuwe boeteregime van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW, dat per 1 januari 2013 in werking trad.
Eiser voerde aan dat het nieuwe boeteregime niet terugwerkende kracht mag hebben en dat het overgangsrecht in strijd is met artikel 7 EVRM Pro, dat zwaardere sancties verbiedt dan die van toepassing waren ten tijde van het begaan van de overtreding. De rechtbank oordeelde dat de overtreding een voortdurende aard heeft en dat toepassing van het nieuwe boeteregime op het deel van de overtreding vóór 2013 inderdaad strijdig is met het EVRM en het IVBPR.
De rechtbank liet artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping buiten toepassing voor het deel van de overtreding vóór 1 januari 2013 en stelde de boete vast op 10% van het benadelingsbedrag voor die periode en 100% voor de periode daarna, wat resulteerde in een totale boete van €3.215,17. De rechtbank wees matiging van de boete af en veroordeelde verweerder in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de boete vast op €3.215,17, waarbij het overgangsrecht slechts beperkt wordt toegepast in overeenstemming met artikel 7 EVRM.