ECLI:NL:RBDHA:2014:4126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2014
Publicatiedatum
3 april 2014
Zaaknummer
C/09/456678 / KG RK 13/2365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 513 SvArt. 515 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking politierechter afgewezen wegens te late indiening

De verdachte diende tijdens de mondelinge uitspraak van de politierechter een wrakingsverzoek in, stellende dat de politierechter het dossier niet goed had gelezen en hem onheus had bejegend. De politierechter en officier van justitie betwistten de gronden en stelden dat het verzoek te laat was ingediend. De wrakingskamer behandelde het verzoek op 6 januari 2014, waarbij de verdachte niet aanwezig was.

De wrakingskamer overwoog dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad een wrakingsverzoek kan worden ingediend tot het moment dat de einduitspraak is gedaan, maar niet nadat de rechter met de mondelinge uitspraak is begonnen. In deze zaak werd direct na sluiting van het onderzoek mondeling uitspraak gedaan, waardoor het wrakingsverzoek tijdens de uitspraak te laat was.

De kamer concludeerde dat het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard en wees het af. Tevens werd overwogen dat de door de verdachte aangevoerde motiveringsgebreken en vermeende partijdigheid geen geldige gronden voor wraking vormen. De beslissing werd op 20 januari 2014 uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat tijdens de mondelinge uitspraak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2013-57
zaak-/rekestnummer: C/09/456678 / KG RK 13/2365
parketnummer: 10-094463-13
datum beschikking: 20 januari 2014
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:
[verzoeker],
briefadres:[adres],
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. C.A.J.F.M. HENSEN,
politierechter in de rechtbank Den Haag,
hierna: de politierechter.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 20 november 2013 heeft een in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Den Haag plaatsgevonden, waarbij de verzoeker als verdachte is verschenen. Voorts was ter terechtzitting aanwezig de officier van justitie
mr. K.E. van Tuijn. De politierechter heeft de strafzaak tegen de verzoeker behandeld.
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en tijdens het doen van de uitspraak heeft verzoeker de politierechter gewraakt.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 6 januari 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De verzoeker, tijdig opgeroepen op het briefadres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven, alsmede op het in het dossier bekende adres [adres], is niet verschenen. Zijn raadsman in de strafzaak, mr. A.C. de Bakker, advocaat te Zwijndrecht, heeft bij faxbericht d.d. 18 december 2013 aan de rechtbank laten weten zich als raadsman van verzoeker aan de zaak te hebben onttrokken.
In een brief d.d. 20 november 2013, ingekomen d.d. 5 december 2013, heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek toegelicht.
De politierechter is niet verschenen en heeft schriftelijk zijn zienswijze aan de rechtbank doen toekomen.
De officier van justitie mr. K.E. van Tuijn is verschenen en heeft haar standpunt aan de hand van schriftelijke aantekeningen, die zij aan de rechtbank heeft overhandigd, toegelicht.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 20 november 2013.

3.Het standpunt van verzoeker

Verzoeker stelt dat de politierechter in de behandeling van de strafzaak vermoedelijk zaken met elkaar verwart, dan wel het dossier niet goed gelezen heeft. De politierechter heeft opgemerkt dat met verzoeker moeilijk contact kan worden gemaakt. Dat is een grove belediging. Een en ander blijkt niet uit het dossier of op enige andere wijze. De politierechter maakte een verwarde en vermoeide indruk. Nadat verzoeker de politierechter had gewraakt, reageerde deze met de opmerking dat het niet meer mogelijk was na de uitspraak een rechter te wraken. Omdat de uitspraak nog niet had plaatsgevonden, behoorde het wraken van de politierechter nog wel tot de mogelijkheden.
Het niet lezen van het dossier, de bejegening van de verzoeker door de politierechter, het negeren van het wrakingsverzoek en het ‘doordrukken’ van de uitspraak staan in schril contrast met het recht op een eerlijk proces door een onpartijdige, professionele en deskundige rechter.

4.Het standpunt van de politierechter

Volgens de politierechter dient de verzoeker primair niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het wrakingsverzoek te laat, namelijk tijdens het doen van de uitspraak is gedaan.
Subsidiair dient het verzoek te worden afgewezen, omdat de eigenlijke grond van het verzoek tot wraking erin bestaat dat de verzoeker zich niet kan verenigen met een deel van de motivering van de uitspraak. Een motiveringsgebrek is echter geen grond voor wraking. Het is niet juist dat de politierechter het dossier niet heeft gelezen. Dat de politierechter de verdachte partijdig of vooringenomen zou hebben bejegend, wordt niet toegelicht. Het negeren van het wrakingsverzoek en het ‘doordrukken’ van een uitspraak zijn omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het moment van wraking en kunnen daarom geen grond voor die wraking zijn.

5.Het standpunt van de officier van justitie

Het wrakingsverzoek is gedaan na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting en voordat de einduitspraak was voltooid, namelijk bij het uitspreken van het onderdeel van de einduitspraak betreffende de strafoplegging. Nu een wrakingsverzoek van de zittingsrechter kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan, is het verzoek ontvankelijk.
De bezwaren van verzoeker zijn gericht op de door de politierechter in de motivering van zijn vonnis genoemde persoonlijke omstandigheden. De opmerkingen zijn geuit ter motivering van de daarna uitgesproken strafoplegging. Er is daarbij geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de politierechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid heeft gekoesterd, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
Het door de verzoeker genoemde negeren van het wrakingsverzoek en het ’doordrukken’ van een uitspraak berusten op een ordemaatregel die in overeenstemming is met de wrakingswetgeving en jurisprudentie.

6.De beoordeling

Ter beoordeling in onderhavige zaak ligt voor de vraag of tijdens het doen van een mondelinge uitspraak een wrakingsverzoek kan worden gedaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechter(s) kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan. (HR 13 april 2010, NJ 2010, 234 en HR 2 november 2010, NJ 2010, 603). Dit uitgangspunt is opgenomen in artikel 4.4 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Den Haag. Aan de orde is of met het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt is bedoeld dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend tot het moment dat een begin is gemaakt met de mondelinge uitspraak of tot het moment dat de mondelinge uitspraak is voltooid.
De wrakingskamer overweegt dat in de zaken, die ten grondslag lagen aan bovengenoemde uitspraken van de Hoge Raad, geen sprake is van een situatie als de onderhavige waarbij direct na de sluiting van het onderzoek mondeling uitspraak wordt gedaan, maar van zaken waarin na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting eerst na enige tijd uitspraak wordt gedaan. De Hoge Raad heeft beslist dat in dat geval een wrakingsverzoek tijdig is ingediend, indien het voorafgaand aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een zodanig tijdstip dat de betrokken rechter(s) daarvan redelijkerwijs kennis kon(den) nemen. Naar het oordeel van de wrakingskamer volgt hieruit dat in zaken als de onderhavige, waarin de politierechter direct na de sluiting van het onderzoek mondeling uitspraak doet, geen wrakingsverzoek meer kan worden ingediend vanaf het moment dat de rechter met de uitspraak een aanvang heeft gemaakt. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat de wet ervan uitgaat dat het vonnis in zijn geheel wordt uitgesproken en dat niet aanvaardbaar is dat een wrakingsverzoek afhankelijk wordt gemaakt van de inhoud van het eindvonnis (zie de conclusie van A-G Knigge bij voormeld arrest van 2 november 2010 onder 16). Dat brengt mee dat het in de onderhavige zaak door de verzoeker tijdens de mondelinge uitspraak gedane wrakingsverzoek te laat is ingediend. De verzoeker zal daarom in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in diens wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie mr. K.E. van Tuijn;
• de politierechter mr. C.A.J.F.M. Hensen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, voorzitter, O. van der Burg en I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.B. van Amen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2014.