ECLI:NL:RBDHA:2014:16651
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter-commissaris in strafzaak moord
In deze strafzaak heeft de verdediging een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter-commissaris die belast is met de behandeling van het onderzoek. Dit verzoek volgde op een beslissing van de rechter-commissaris om het verzoek tot het horen van informanten van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) slechts gedeeltelijk toe te wijzen en het horen van de informanten zelf af te wijzen.
De verdediging stelde dat de rechter-commissaris vooringenomen was, omdat zij de informatie van de informanten niet als voldoende ontlastend beschouwde en uit eigen beweging besloot de TCI-chef te horen, waardoor de verdediging cruciale ontlastende informatie niet kon verifiëren.
De rechter-commissaris verweerde zich door aan te geven dat de term 'mogelijk ontlastend' werd gebruikt om niet vooruit te lopen op het onderzoek en dat het horen van de TCI-chef noodzakelijk was om de noodzaak van een getuigenverhoor beter te kunnen beoordelen. De wrakingskamer oordeelde dat er geen gegronde vrees voor vooringenomenheid bestond, dat de beslissing een normale processuele afweging betrof en dat de gekozen procedure in lijn is met jurisprudentie van de Hoge Raad.
De wrakingskamer wees het verzoek daarom af en bepaalde dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.