ECLI:NL:RBDHA:2014:16605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2014
Publicatiedatum
28 januari 2015
Zaaknummer
C/09/448522 / KG RK 13-1547
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1033 RvArt. 1035 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen arbiters in geschil tussen apotheek en handelaar

In deze zaak heeft de verzoeker, handelend onder een bedrijfsnaam, een wrakingsverzoek ingediend tegen drie arbiters die waren benoemd in een arbitrageprocedure aangespannen door een apotheek. Het wrakingsverzoek betrof vermeende schendingen van het recht op een eerlijk proces, waaronder het niet toewijzen van een advocaat, het toelaten van belastende processen-verbaal zonder voldoende toetsing, onvoldoende gelegenheid om stellingen te onderbouwen, en het eisen van een hoog voorschot voor getuigenverhoren.

De arbiters en de apotheek hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze gronden. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat wraking slechts mogelijk is bij objectief gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid. De rechtbank concludeert dat de aangevoerde omstandigheden niet leiden tot een dergelijke twijfel. Het ontbreken van een toevoeging van een advocaat en de wijze van bewijswaardering zijn geen gronden voor wraking. Ook het voorschot voor getuigenverhoren tast de onpartijdigheid niet aan.

Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het arbitraal geding voortgezet in de stand van het moment van het wrakingsverzoek. De beslissing is openbaar uitgesproken op 30 april 2014 door voorzieningenrechter G.P. van Ham.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de arbiters is afgewezen en het arbitraal geding wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANKDEN HAAG
De voorzieningenrechter
Wrakingnummer 2013/43
zaaknummer: 448522 / KG RK 13-1547
datum beslissing: 30 april 2014
BESLISSING
op het schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge artikel 1035 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het arbitraal geding tussen:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats],
verweerder in het arbitraal geding,
verzoeker in de wraking,
advocaat: mr. D. Coskun,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[apotheek],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiser in het arbitraal geding,
advocaat: mr. R. Schellaars,
strekkende tot wraking van:
[arbiter 1],
[arbiter 2], en
[arbiter 3],
arbiters.
Partijen worden hierna als [verzoeker], [apotheek], respectievelijk [arbiter 1], [arbiter 2], en [arbiter 3] aangeduid.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.
Op 8 januari 2011 hebben [apotheek] en [verzoeker], handelend onder de naam [bedrijfsnaam], een waarneemovereenkomst gesloten. Ingevolge artikel 9, tweede lid, van die overeenkomst zal in het geval van een geschil – wanneer middellijke geschilbeslechting niet mogelijk is – over het geschil worden beslist door drie scheidslieden, te benoemen door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie (KNMP).
1.2.
Op 6 maart 2012 heeft [apotheek] een arbitrageaanvraag ingediend tegen [verzoeker]. Hierop zijn [arbiter 1], [arbiter 2] en [arbiter 3] als arbiter benoemd.
1.3.
Op 19 november 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een door [verzoeker] jegens voornoemde arbiters ingediend wrakingsverzoek afgewezen.
1.4.
Op 10 april 2013 is door het scheidsgerecht een arbitraal tussenvonnis gewezen. Hierbij is een voorlopige beoordeling van het geschil gegeven en zijn partijen in de gelegenheid gesteld – indien gewenst – nader bewijs te leveren.
1.5.
Bij e-mailbericht van 11 juli 2013 aan de KNMP en [arbiter 1] heeft [verzoeker], onder opgaaf van redenen bij afzonderlijk e-mailbericht, de arbiters opnieuw gewraakt. Per diezelfde datum heeft de KNMP het arbitraal geding geschorst.
1.6.
Bij brief van 25 juli 2013 heeft de KNMP aan [verzoeker] bericht dat geen van de arbiters zich heeft teruggetrokken.
1.7.
Bij faxbericht van 7 augustus 2013 heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter van deze rechtbank, onder opgaaf van redenen, verzocht te beslissen over de gegrondheid van de wraking.
1.8.
Bij brief van 29 oktober 2013 aan de rechtbank heeft [arbiter 1], mede namens [arbiter 2] en [arbiter 3], gereageerd op het wrakingsverzoek.
1.9.
Na kennisneming van het standpunt van [apotheek] over de omstandigheid dat het verzoekschrift niet was ondertekend en ingediend door een advocaat, is [verzoeker] op 19 november 2013 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te doen herstellen.
1.10.
Bij brief van 12 februari 2014 aan de rechtbank heeft mr. Coskun namens [verzoeker] een door hem ondertekend wrakingsverzoek ingediend.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 16 april 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van de voorzieningenrechter behandeld. [verzoeker], bijgestaan door mr. Coskun, is verschenen om het wrakingsverzoek toe te lichten. Ook de arbiters zijn verschenen om hun reactie op het wrakingsverzoek toe te lichten. Ten slotte is namens [apotheek] verschenen en in de gelegenheid het woord te voeren de heer [directeur], directeur, bijgestaan door mr. Schellaars en mr. V.D.N. den Haring.

3.Het standpunt van verzoeker

[verzoeker] heeft de volgende gronden aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.
3.1.
Het scheidsgerecht heeft nagelaten [verzoeker] een advocaat toe te voegen, waardoor vanwege zijn beperkte financiële draagkracht aan het recht op een eerlijk proces is tekortgedaan.
3.2.
Het scheidsgerecht heeft [apotheek] toegelaten processen-verbaal van de politie (met voor [verzoeker] belastende inhoud) in het geding te brengen, zonder deze stukken genoegzaam op waarheidsgehalte te toetsen.
3.3.
Het scheidsgerecht heeft zich bij de beoordeling van de stelling van [verzoeker] dat bij de [apotheek] sprake was van wanbeleid en de beweerdelijke rol van de heer
[betrokkene] daarin, lijdzaam opgesteld en [verzoeker] onvoldoende in de gelegenheid gesteld zijn stelling te onderbouwen.
3.4.
Het scheidsgerecht heeft de door [verzoeker] opgegeven getuigen kennelijk niet willen horen, nu zij van [verzoeker] vergde hiervoor binnen een dag een bedrag van
€ 5.000,-- bij wijze van voorschot ter beschikking te stellen. Nu [verzoeker] in verhouding tot de [apotheek] beschikt over weinig financiële draagkracht, is aldus aan zijn recht op een eerlijk proces tekortgedaan.

4.Het standpunt van de gewraakte arbiters

De arbiters hebben het volgende tegen het wrakingsverzoek aangevoerd.
4.1.
De omstandigheid dat aan [verzoeker] geen advocaat is toegevoegd en hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het tussenvonnis en de daarbij gegeven bewijswaardering vormt geen grond voor wraking.
4.2.
[verzoeker] heeft zelf nagelaten de heer [betrokkene] door het scheidsgerecht als getuige te doen horen.
4.3.
[verzoeker] heeft ruim een maand de gelegenheid gehad het verschuldigde voorschot voor het getuigenverhoor te voldoen en is daartoe meermalen schriftelijk aangemaand.

5.De beoordeling

5.1.
Het door mr. Coskun ingediende verzoek strookt – zoals opgemerkt door mr. Schellaars – niet woordelijk met het door [verzoeker] ingediende verzoek. Nu de inhoud evenwel op hoofdlijnen overeenkomt, wordt laatstgenoemd verzoek geacht te zijn ingediend door een advocaat en wordt deze bij de beoordeling van de wraking betrokken.
5.2.
Ingevolge artikel 1033 Rv Pro kan een arbiter worden gewraakt indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid. Die twijfel dient objectief, door feiten en omstandigheden gerechtvaardigd te zijn. Bij de beoordeling of er voldoende aanleiding is tot wraking valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn (vgl. HR 18 februari 1994, LJN ZC1266). Ruimte voor een inhoudelijke beoordeling van door arbiters genomen beslissingen is er in beginsel niet.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het scheidsgerecht niet is gebleken.
5.4.
Uit de waarnemingsovereenkomst, het van toepassing zijnde arbitragereglement, de wet of enig andere rechtsbron volgt niet dat het scheidsgerecht gehouden was aan [verzoeker] een advocaat toe te voegen. Aan het uitblijven van een dergelijke toevoeging kan reeds daarom geen grond tot wraking worden ontleend.
5.5.
De stelling dat het scheidsgerecht onvoldoende actief onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van de stellingen van [verzoeker] en bovendien de door [apotheek] ingebrachte processen-verbaal onvoldoende kritisch heeft beoordeeld, kan evenmin tot wraking leiden. De eisen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid gelden ook in een arbitraal geding. Dit brengt mee dat het aandragen van bewijs in beginsel is voorbehouden aan partijen en de arbiters zich dienen te beperken tot een beoordeling van dit bewijs. De omstandigheid dat een partij zich niet kan verenigen met de inhoud van een dergelijke beoordeling – waarbij zij opgemerkt dat het scheidsgerecht slechts een voorlopig oordeel heeft gegeven en partijen heeft toegelaten tot het leveren van nader bewijs – is zonder meer geen grond voor een wraking.
5.6.
De stelling dat [verzoeker] geen redelijke termijn is geboden voor voldoening van het voorschot voor de geplande getuigenverhoren, is door de arbiters gemotiveerd en voorzien van een feitelijke onderbouwing weersproken. De omstandigheid dat [verzoeker] dit voorschot, zoals hij stelt, niet kan opbrengen, tast de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het scheidsgerecht niet aan.
5.7.
Gelet op het vorenstaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het arbitraal geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing wordt toegezonden aan:
- verzoeker [verzoeker], via zijn advocaat mr. Coskun;
- arbiters [arbiter 1], [arbiter 2] en [arbiter 3];
- de KNMP;
- [apotheek], via haar advocaat mr. Schellaars.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.P. van Ham, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.