ECLI:NL:RBDHA:2014:15629
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonheffing over afkoop stamrecht-B.V. na afschaffing stamrechtvrijstelling
In deze zaak vordert eiseres, een stamrecht-B.V., dat de loonheffing over de afkoop van het stamrecht wordt berekend op basis van het daadwerkelijk uitgekeerde bedrag van €519.964, in plaats van de commerciële waarde van €546.740. De afkoop vond plaats in januari 2014, na de afschaffing van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014, waarbij overgangsrecht is opgenomen in artikel 39f van de Wet op de loonbelasting 1964.
De rechtbank stelt vast dat de waarde van het stamrecht moet worden bepaald op basis van het bedrag dat bij een derde moet worden gestort om de aanspraak te dekken, in dit geval €546.740. Dit volgt uit artikel 13, vijfde lid, van de Wet en artikel 3.12 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Het feit dat het daadwerkelijk uitgekeerde bedrag lager is, is niet bepalend.
Eiseres beroept zich nog op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar gevallen waarin bij liquidatie met gebrek aan baten slechts het aanwezige vermogen werd belast. De rechtbank wijst dit af omdat deze gevallen zich voor de afschaffing van de stamrechtvrijstelling voordeden en dus niet vergelijkbaar zijn.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is mondeling gedaan op 13 november 2014 door rechter E.E. Schotte.
Uitkomst: De loonheffing wordt berekend over de commerciële waarde van het stamrecht en niet over het daadwerkelijk uitgekeerde bedrag.