ECLI:NL:RBDHA:2014:15365
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens vervallen ongewenstverklaring door niet-aaneengesloten verblijf in Nederland
Verdachte werd verdacht van het illegaal verblijven in Nederland terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De ongewenstverklaring dateerde uit 2003 en gold in principe voor vijf jaar vanaf het moment van vertrek uit Nederland.
De officier van justitie stelde dat verdachte niet vijf jaar aaneengesloten buiten Nederland was gebleven, waardoor de ongewenstverklaring niet was vervallen. De verdediging voerde aan dat verdachte sinds 2009 vijf jaar aaneengesloten buiten Nederland had verbleven en dat de ongewenstverklaring daardoor was komen te vervallen.
De rechtbank oordeelde dat de ongewenstverklaring gelijkgesteld kan worden aan een inreisverbod van vijf jaar dat aaneengesloten moet worden vervuld. Verdachte had zelf verklaard in 2008 en 2010 in Nederland te zijn geweest, waardoor niet aan deze voorwaarde was voldaan. Bovendien was de bedreiging die van verdachte uitging op het moment van aanhouding niet actueel, werkelijk en voldoende ernstig. Daarom kon niet worden bewezen dat de ongewenstverklaring op het moment van het ten laste gelegde feit nog rechtskracht had.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat de ongewenstverklaring op het moment van aanhouding nog rechtsgeldig was.