Uitspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2014 in de zaak tussen
[eiseres 1], eiseres,
[eiseres 2], eiseres,
Rechtbank Den Haag
Eisers, met de Kameroense nationaliteit, vroegen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan onder de Definitieve en Overgangsregeling van WBV 2013/1. Verweerder wees deze aanvragen af omdat eisers zich sinds 27 juli 2010 langer dan drie maanden onttrokken zouden hebben aan het toezicht van de IND, DT&V, COA of vreemdelingenpolitie.
Eisers betwistten dit en stelden dat zij niet actief uit beeld waren geweest en dat het begrip 'onttrekken aan toezicht' onjuist werd toegepast. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het begrip 'onttrekken aan toezicht' gelijkstelde aan 'uit beeld zijn' en dat eisers sinds genoemde datum daadwerkelijk langer dan drie maanden uit beeld waren geweest. De rechtbank vond het onderscheid tussen vreemdelingen die zich wel of niet aan toezicht onttrekken gerechtvaardigd en niet in strijd met het EVRM of IVRK.
Verder concludeerde de rechtbank dat het beleid begunstigend is en verweerder een ruime discretionaire bevoegdheid heeft bij de toepassing ervan. De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro, omdat geen uitzonderlijke omstandigheden waren aangetoond die een verblijfsvergunning rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de opgelegde inreisverboden en vertrektermijnen bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunningen bevestigd.