Uitspraak
BESLISSINGop het beroep
.
Rechtbank Den Haag
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen een boetebeschikking van het CJIB wegens overschrijding van de maximumsnelheid. Hij stelde dat zijn adellijke titel 'jonkheer' niet vermeld stond in de beschikking en overige correspondentie, wat volgens hem in strijd was met artikel 5 van Pro de Wet op de adeldom (Woa) en het Koninklijk Besluit van 1822.
De kantonrechter stelde vast dat hoewel de vermelding van de volledige naam verplicht is in de sanctiebeschikking, de wet en regeling niet expliciet voorschrijven dat adellijke titels vermeld moeten worden. Artikel 5 Woa Pro en het KB verplichten wel tot vermelding van adellijke titels op officiële documenten, maar de rechter oordeelde dat dit vooral een kwestie van respect en traditie betreft, en niet van juridische identificatie.
De kantonrechter concludeerde dat het ontbreken van de adellijke titel in de boetebeschikking geen gevolgen heeft voor de geldigheid van het besluit. De sanctie blijft rechtsgeldig en betrokkene moet deze voldoen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de boetebeschikking blijft gehandhaafd ondanks het ontbreken van de adellijke titel.