ECLI:NL:RBDHA:2014:10619
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende motivering overnameverzoek Groot-Brittannië
Verzoeksters dienden een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd afgewezen omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van het verzoek. Verzoeksters stelden dat verweerder Spanje onvoldoende had geïnformeerd over het verblijfsrecht van de partner in Groot-Brittannië en de aanwezigheid van de Spaanse zoon die recht heeft op gezinshereniging.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet had gemotiveerd waarom niet op grond van artikel 17, tweede lid, van de Verordening een verzoek om overname aan Groot-Brittannië was gedaan. Verweerder kon dit verzoek te allen tijde doen, ook als Groot-Brittannië formeel niet verantwoordelijk was. De motivering van verweerder dat verzoeksters zelf hadden gekozen voor Spanje en dat er onvoldoende humanitaire gronden waren, werd onvoldoende geacht.
De rechtbank stelde dat het belang van het kind en de eenheid van het gezin voorop staan en dat het aan Groot-Brittannië is om te beoordelen of humanitaire gronden aanwezig zijn. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering over het overnameverzoek aan Groot-Brittannië.