ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3831
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Deken Orde van Advocaten tot optreden tegen advocaat wegens uitlatingen over rechterlijke macht
In deze kortgedingprocedure vordert een advocaat, hierna [eiser], een verbod aan de Deken van de Orde van Advocaten om tuchtrechtelijke stappen te ondernemen naar aanleiding van scherpe uitlatingen van [eiser] over wrakingsrechters van de rechtbank Oost-Brabant. [Eiser] stelt dat de Deken niet bevoegd is tot het onderzoeken en beoordelen van zijn meningsuitingen, omdat dit in strijd zou zijn met de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgde vrijheid van meningsuiting.
De feiten betreffen een wrakingsverzoek van [eiser] namens zijn cliënt, dat werd afgewezen. Vervolgens uitte [eiser] ernstige kritiek op de rechters in een brief aan de president van de rechtbank. De president bracht deze uitlatingen onder de aandacht van de Deken, die daarop een onderzoek startte en [eiser] uitnodigde voor een gesprek. [Eiser] weigerde dit gesprek en sommeerde de Deken om zijn bevoegdheid te onderbouwen.
De rechtbank stelt vast dat de Deken krachtens artikel 46f van de Advocatenwet bevoegd is om een onderzoek in te stellen naar gedragingen van advocaten die een behoorlijk advocaat niet betaamt en om klachten bij de raad van discipline in te dienen. De Deken heeft zorgvuldig gehandeld door [eiser] meerdere keren uit te nodigen voor een gesprek. De klachten over schending van vrijheid van meningsuiting dienen te worden behandeld in de tuchtrechtelijke procedure, die voldoende waarborgen biedt.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen omdat de civiele rechter niet kan ingrijpen in het tuchtrechtelijke proces en omdat de vorderingen te algemeen en onvoldoende concreet zijn. [Eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten.
Uitkomst: De vorderingen van de advocaat worden afgewezen en de Deken blijft bevoegd tot onderzoek en tuchtrechtelijke stappen.