ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3082
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid en openbare betekening in civiel geschil over borgstellingsovereenkomst
In deze civiele zaak betreft het een incident over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank en de vraag of de openbare betekening van de dagvaarding terecht was. De eiser, Hamer, werd bij verstek veroordeeld tot betaling van €100.000 aan Grafschafter Volksbank EG uit hoofde van een borgstellingsovereenkomst. Hamer stelde dat de rechtbank Oost-Nederland relatief bevoegd was omdat hij daar woonachtig was en dat de betekening onrechtmatig was omdat Grafschafter hem niet op de juiste wijze had weten te bereiken.
De rechtbank overwoog dat de deurwaarder op goede gronden had geconcludeerd dat Hamer geen bekende woonplaats of verblijfplaats had ten tijde van de betekening, waardoor openbare betekening aan het parket van het openbaar ministerie in Den Haag terecht was. Het enkele feit dat Hamer was ingeschreven op een adres, was onvoldoende om dit als woonplaats aan te merken, mede omdat de deurwaarder ter plaatse had vastgesteld dat Hamer daar niet woonde.
De rechtbank bevestigde haar relatieve bevoegdheid als restrechter ex art. 109 Rv Pro, nu geen andere bevoegde rechter kon worden aangewezen. De incidentele vordering van Hamer tot ontheffing van de veroordeling en niet-ontvankelijkheid van de vorderingen werd afgewezen. De beslissing over de proceskosten in het incident werd aangehouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak. Tevens werd een comparitie van partijen bevolen om het verdere procesverloop te bepalen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich relatief bevoegd en wijst de incidentele vordering van Hamer af.