ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2268
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Uitlevering terreurverdachte aan Verenigde Staten niet onrechtmatig ondanks folteringsclaims
De zaak betreft een terreurverdachte met de Nederlandse en Pakistaanse nationaliteit die werd aangehouden in Pakistan en vervolgens door Nederland aan de Verenigde Staten werd uitgeleverd op verdenking van deelname aan gevechten voor Al Qaeda.
De verdachte stelde dat hij tijdens zijn detentie in Pakistan was gefolterd met betrokkenheid van Amerikaanse autoriteiten, dat zijn uitlevering onrechtmatig was wegens buitengerechtelijke overdracht ('rendition'), dat de detentieomstandigheden in de VS onmenselijk zouden zijn en dat zijn noodzakelijke EMDR-behandeling voor PTSS niet zou kunnen worden voortgezet.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs is voor directe betrokkenheid van Amerikaanse functionarissen bij de folteringen, dat de buitengerechtelijke overdracht niet aannemelijk is gemaakt, dat het vertrouwen in het Amerikaanse rechtssysteem en de toezeggingen van de Minister voldoende garanties bieden tegen schending van artikel 3 EVRM Pro, en dat de EMDR-behandeling kan worden voortgezet onder voorwaarden.
De vorderingen van de verdachte werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukte dat de Minister een eigen verantwoordelijkheid heeft bij uitleveringsbeslissingen, maar dat deze volledig getoetst moeten worden aan het EVRM, hetgeen hier niet tot een verbod op uitlevering leidde.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep van de verdachte af en verklaart de uitlevering aan de VS niet onrechtmatig.