ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1376
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsrecht als echtgenoot van EU-burger wegens ontbreken nieuw relevant feit
Verzoeker, een Sri Lankaanse nationaliteit, heeft meerdere keren een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke steeds zijn afgewezen. De afwijzing is gebaseerd op het feit dat verzoeker rechtmatig verblijf geniet als echtgenoot van een burger van de Unie die rechtmatig in Nederland verblijft.
De rechtbank stelt dat pas sprake kan zijn van een rechtens relevant novum indien de echtgenote niet langer rechtmatig verblijf heeft of het huwelijk is beëindigd. Verzoeker heeft weliswaar relationele problemen aangevoerd, maar het huwelijk is niet ontbonden en er is geen vaststelling dat het rechtmatig verblijf van zijn echtgenote is beëindigd.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie en de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin wordt bevestigd dat de juridische band tussen de gemeenschapsonderdaan en het gezinslid bepalend is. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. G.A. van der Straaten op 1 februari 2013.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.