ECLI:NL:RBDHA:2013:19641
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser is op 5 april 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft op 24 juni 2013 beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het eerdere beroep van eiser op 12 juni 2013 ongegrond verklaard, maar in deze procedure oordeelt zij anders.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er zicht is op uitzetting van eiser naar Somalië binnen een redelijke termijn. Hoewel uitzetting naar Somalië mogelijk is via een EU-staat, is het aantal uitzettingen per maand beperkt en is er een aanzienlijke werkvoorraad. Voor eiser is geen concrete uitzettingsdatum vastgesteld, terwijl in vergelijkbare zaken wel data zijn genoemd. Dit leidt tot de conclusie dat uitzetting in zijn geval nog geruime tijd op zich zal laten wachten.
De rechtbank wijst ook het standpunt van verweerder af dat het uitzettingstraject naar Ethiopië kansrijk is, omdat eiser de Somalische nationaliteit heeft en geen concrete aanwijzingen zijn dat hij in Ethiopië zal worden toegelaten. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring wordt bevolen.
Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het zicht op uitzetting niet eerder dan op 10 juli 2013 is komen te vervallen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 944,- die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken voor rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door rechter B. van Velzen en griffier C.L. Heins op 10 juli 2013.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.