Eiser, indirect aandeelhouder van een BV die coffeeshops exploiteert, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vergrijpboetes over de jaren 2005 tot en met 2009. Verweerder stelde dat winstcorrecties bij de BV onttrokken waren door eiser en als inkomen uit aanmerkelijk belang moesten worden belast. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een (vermomde) winstuitdeling aan eiser, mede omdat geen vermogensverschuiving kon worden vastgesteld en relevante stukken ontbraken.
De navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente werden daarom vernietigd. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor bezwaarbehandeling met één jaar was overschreden, waarvoor verweerder werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000. De proceskosten werden vastgesteld op € 2.121 ten gunste van eiser. De uitspraak vervangt de vernietigde besluiten en is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 24 december 2013.