Uitspraak
(gemachtigde: [A]),
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
Zitting
SGR 12/6714.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de heffingsrente en de kostenvergoeding die de Belastingdienst heeft toegekend na een teruggaaf van BPM. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke regeling omtrent heffingsrente, zoals vastgelegd in artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, correct is toegepast en niet in strijd is met het EU-verdrag.
Daarnaast is geoordeeld dat de kostenvergoeding terecht is gematigd vanwege het grote aantal identieke of nagenoeg identieke bezwaarschriften die door de gemachtigde zijn ingediend. De rechtbank wijst erop dat het pro forma bezwaar niet is gevolgd door een inhoudelijke motivering, wat ook rechtvaardigt dat de kostenvergoeding beperkt blijft.
Eiser heeft betoogd dat verweerder de werkelijke kosten van het bezwaar moet vergoeden, maar dit is afgewezen omdat de aangifte op initiatief van eiser is gedaan en geen besluit van verweerder betreft. Ook een verzoek tot schadevergoeding op grond van Europese regelgeving wordt afgewezen, omdat proceskostenvergoeding exclusief geregeld is in de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 3 juli 2013.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; de heffingsrente en kostenvergoeding zijn correct vastgesteld.