ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1321
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde en aanslag onroerende-zaakbelastingen met afwijzing proceskostenvergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011 van een tussenwoning met aanbouw en garage. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €212.000 en deze bij bezwaar verlaagd naar €197.000. Tijdens de zitting op 6 april 2012 bereikten partijen een compromis waarbij de waarde werd vastgesteld op €192.000, wat leidde tot een overeenkomstige verlaging van de aanslag.
Belanghebbende had zich in de bezwaar- en beroepsprocedure laten vertegenwoordigen door zijn eigen B.V. De rechtbank oordeelde dat deze B.V. geen 'derde' partij was zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat niet was gebleken dat de B.V. meerdere personen in dienst had en belanghebbende zelf namens de B.V. optrad. Daarom werd het beroep tegen de afwijzing van de proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door de B.V. ongegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar wel tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte redelijke kosten in verband met de behandeling van het beroep, waaronder reiskosten en verletkosten, totaal €118,76. De uitspraak werd op 20 april 2012 gedaan door rechter M.M. de Werd en griffier I.E. Rijsdijk-van Eerd.
Uitkomst: De WOZ-waarde en aanslag onroerende-zaakbelastingen worden verminderd tot €192.000, proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door eigen B.V. wordt afgewezen, maar redelijke proceskosten worden toegekend.